HET PROBLEEM VAN DE BOTSENDE BESCHAVINGEN
Godsdienst als bron van geweld
In het jaar 754 werd Bonifatius bij Dokkum vermoord, en dat was volkomen terecht. De Ierse monnik was bezig met een uiterst agressieve bekeringscampagne onder de Friezen, waarbij hij zich niet ontzag om hun oude gewijde heiligdommen te verwoesten om plaats te maken voor de machtssymbolen van een te vuur en te zwaard geïntroduceerd nieuw geloof.
Wat Bonifatius probeerde, was om aan een vreemde heidense samenleving met geweld zijn eigen normen en waarden op te leggen, en wat de Friezen bij Dokkum deden, kwam derhalve op mentale zelfverdediging neer. Twee geloven, twee beschavingen stonden hier tegenover elkaar, en met de zege van de Kerk van Rome over het Friese heidendom dolven ook tal van overgeleverde autochtone opvattingen het onderspit. In diezelfde zin willen velen, zowel hier als ginds, in de huidige spanningen tussen het Westen en het Midden-Oosten niet slechts een botsing tussen bepaalde belangen, maar tevens tussen beschavingen zien.
Beschavingen en geloven lopen namelijk in die delen van de wereld waar mensen nog daadwerkelijk gelóven onmiskenbaar parallel. Met het botsen van godsdiensten botsen ook beschavingen op elkaar. Godsdienst is immers meer dan een optelsom van enige fleurige riten voor een handvol feestdagen per jaar, en de betekenis van godsdienst als vormende en bindende kracht van een cultuur en maatschappij reikt veel verder dan de strikt theologische vraag of Christus Gods zoon is, dan wel Mohammed diens meest recente profeet. En speciaal geldt dat voor de drie monotheïstische religies die hun wortels hebben in de contreien rond Jeruzalem.
Godsdienst vormt het fundament van de beschaving in een groot deel van de Oude Wereld, gezien het aan alledrie inherente uitgangspunt dat er zoiets bestaat als een Goddelijke Waarheid en een Goddelijke Orde, die hun normatieve neerslag vinden in een specifiek geschrift dat daarmee als Goddelijke Openbaring de gelovigen de regels voorschrijft waarnaar zij in het ondermaanse hun maatschappij collectief hebben te ordenen en zich individueel hebben te richten - voorschrijft, hoe zij moeten leven en sneven, paren en baren. En zelfs daar waar nadien het daadwerkelijke gelóóf in het bovenaardse is afgenomen, en daarmee, als thans bij ons het geval is, de directe band tussen staatsinrichting en kerkvoorschrift verdwenen is, verliezen die opvattingen niet meteen hun betekenis. Ook daar blijft het ooit op grond van vermeende bovenaardse aanwijzingen geformuleerde normen- en waardenpatroon nog lang als fundament voor de rechtsordening dominant, en daarmee het bindmiddel van een samenleving als geheel. Wanneer verschillende godsdiensten met elkaar in aanraking komen, ligt op het wrijvingsvlak in beginsel altijd het gevaar van een botsing op de loer.
Dit eenstemeer op grond van de absolute claim op de zaligheid, die elke godsdienst eigen is en daarmee tegelijk die van de ander uitsluit. Elke godsdienst pretendeert immers dat zij als enige de Weg, de Waarheid en het Leven heeft te bieden; zou zij de mogelijkheid openlaten dat de Verlossing ook langs een andere route zou kunnen geschieden, dan verliest zij haar zin. Er is daarom ook geen religie zonder moraal, en waar de ware gelovigen de waarheid van hun religie als de enige juiste beschouwen - anders zijn zij geen ware gelovigen meer - geldt dat ook voor de bijbehorende moraal. Zeker geldt dit voor die drie wereldgodsdiensten wier levensbeschouwing ooit in een dik boekwerk opgetekend is, waarvan de kern hen ooit door God zelf vanuit de hemel zou zijn aangereikt. Mohammed meende tijdens het noteren van de soera's linea recta door Hooghierboven te worden geïnspireerd, gelijk Mozes tweeduizend jaar eerder met de Stenen Tafelen was teruggekeerd van een Hoge ontmoeting op de berg Sinaï, en niet van een delftocht in een diepe onderaardse put. De in die geschriften vervatte moraal wordt op grond van die Hoge Herkomst door de gelovigen als universeel betiteld en dient zodoende eveneens voor nog-andersdenkenden te gelden, ook voor hen dus in wier ogen die Hoge Herkomst bij gebrek aan doorslaggevend tastbaar bewijs te betwijfelen valt.
Dat hoeft niet altijd meteen tot gewelddadige conflicten met die andersdenkenden te leiden, maar naarmate de gelovigen fanatieker zijn en hun waarheid meer verabsoluteren, zullen zij ook vuriger pogen om tot extra glorie van hun particuliere God hun waarheid daadwerkelijk aan de nog niet bekeerde wereld op te leggen - und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt. Bonifatius deed hierin niet voor Bin Laden onder. Alle heilige oorlogen, of het nu om de kruistochten of de djihaad, om de godsdienstoorlogen van de zeventiende of die van de eenentwintigste eeuw gaat, vinden in dit geloofsuniversalisme hun oorsprong. Voor de godsdienstig geïnspireerde moordlust is het daarbij niet van zo geweldig belang of men zich op de Bijbel, de Koran of de Thora beroept, zoals de nog dagelijks op tv te volgen duizendjarige slag om de Tempelberg duidelijk maakt. Intolerantie en krijgslust liggen zo in laatste instantie besloten in het verschijnsel godsdienst zelf. Het risico daarvan is hooguit wat minder voorhanden bij boeddhisme en hindoeïsme, omdat beide zo'n goddelijk geschrift met precies van Boven gedicteerde leefregels ontberen, en zij het met een veel minder mensvormig godsbeeld moeten doen. Het moordt in naam en opdracht van een gepersonificeerde almachtige God nu eenmaal met een geruster gemoed dan wanneer men slechts een ongrijpbare heilige wolk als ideologische rugdekking achter zich weet.
En het risico daarvan is speciaal groter in het geval van christendom en islam, omdat zij daadwerkelijk universele pretenties hebben, waar het joodse geloof en de joodse God, als direct gevolg van hun tribalistische oorsprong, vooral voor één enkel - daarmee uitverkoren - volk waren voorbestemd. Bekeringsijver is het jodendom dan ook vreemd, en anders dan het uit het jodendom voortgekomen christendom is in de binnenlanden van Azië, Amerika of Afrika de laatste eeuwen nooit uit zijn naam enige zendeling aangetroffen. Nog steeds is het veel omslachtiger om jood te worden dan christen of islamiet. Tegelijk hoeft dit relatieve tekort aan missionair expansionisme de feitelijke vredelievendheid niet te bevorderen, zoals lezing van het Oude Testament leert. Al hadden de joden niet van Jahweh een zendingsopdracht meegekregen, menig volk dat het uitverkorene op zijn bijbelse weg naar het Beloofde Land tegenkwam, ruimde het al in de Pentateuch met goddelijke hulp zonder pardon uit de weg.
De rauwe kernen van het geloof
Juist die tribale oorsprong staat daarbij voor een sterk atavistisch karakter van het legitimerende heilige geschrift garant: voor de oudtestamentische joden vormden de eigen God en godsdienst een zeer belangrijk middel in de strijd ten einde tussen de omringende vijandige volkstammen te overleven. Daardoor draagt ook de Thora onvermijdelijk de sporen van dat primitieve verre verleden, en hetzelfde zou honderden jaren later voor de Koran gelden, die immers eveneens uit de kring van een toen nog nomadisch woestijnvolk stamt.
Een hoge mate van rauwheid en wreedheid is dientengevolge aan beide geschriften inherent. Dat willen de vele gematigde gelovigen van vandaag vaak liever niet weten, omdat bij hen als gevolg van een eeuwenlang beschavingsproces - bij de joden zo goed als bij de moslims - inmiddels de scherpste kantjes van het geloof zijn afgesleten, en de oorspronkelijk ooit zo absolutistische interpretatie van dat geloof vergaand is geciviliseerd. Maar wie zich even in de schriftelijke oerbron ervan verdiept, kan om die voor contemporaine goedwillenden zo pijnlijke conclusie niet heen. Er staat wat er staat, en er is, op grond van wat indertijd als maatschappelijke norm gangbaar was, geen reden om aan te nemen, dat wat er staat niet ook indertijd zoals het er staat was bedoeld.
Van de barbaarsheid van die plaats en tijd van ontstaan hangen namelijk direct de barbaarse omgangsvormen af, die - tussen de talloze stichtende regels over naastenliefde door - als goddelijke wetgeving voor overtredingen van de godgegeven wetsregels worden voorgeschreven: oog om oog, tand om tand. Revanchisme behoort daardoor evenzeer tot de oerkern van menig geloof als naastenliefde, of beter: die naastenliefde die het nieuwe geloof bij zijn komst verkondigde, beoogde veelal omwille van een grotere sociale stabiliteit de bestaande bruutheid en revanchistische instincten te temmen. Deze lieten echter tegelijkertijd - door hun alomtegenwoordigheid in de dagen waarin de heilige teksten op schrift werden gesteld - in diezelfde heilige teksten onvermijdelijk hun sporen na.
Resultaat was dat in de praktijk de naastenliefde voor de eigen gelovige volksgenoten, de bruutheid voor de omgang met de nog niet bekeerde en dus verdoemde vreemdelingen werd gereserveerd, en dus een botsing met andere religieuze beschavingen in de politieke vertaling van de nieuwe religie veelal was voorgeprogrammeerd. Zo maakten in die strijd tussen stammen vrouwen vaak deel uit van de legitieme oorlogsbuit. Ook het oude Rome werd in zijn begindagen immers door de Sabijnse maagdenroof groot. De tribalistische herkomst van de islam kan zich daardoor in geval van huidig alledaags fundamentalisme, dat de oude teksten weer eens letterlijk neemt, eveneens gemakkelijk vertalen in het dierlijke roedelgedrag - zoals grootschalige vrouwenverkrachting - dat Taliban-strijders regelmatig ten opzichte van overwonnen 'ongelovigen' tentoonspreiden, en al in vroeger eeuwen als finale van een gewonnen stammenstrijd schering en inslag was.
Het christendom draagt van dergelijk tribalisme al veel minder de sporen, omdat het Nieuwe Testament niet wortel schoot onder een nomadisch woestijnvolk, maar tot stand kwam in een geürbaniseerde provincie van het Romeinse Rijk: de meest geslaagde multiculturele samenleving uit de Oudheid. Daarbinnen waren als gevolg van de Pax Romana de alledaagse omgangsvormen tussen diverse volkeren derhalve reeds aanmerkelijk vrediger, terwijl polygamie - uitvloeisel van het roedelvormende principe van de meervoudige vrouwenroof - niet meer bestond. Christelijk fundamentalisme zal zich daarom, bij gebrek aan relevante evangelietekst, ook iets minder snel in uitbundig pluriform sexueel gedrag uiten, zoals ook de voorgeschreven habitus in dezen in orthodox-protestantse kring illustreert.
Juist de kruisdood, die aan het Evangelie zijn betekenis moet verlenen, maakt echter tegelijk duidelijk dat een hoog ontwikkelde samenleving als de Romeinse niet automatisch ook hedendaagse humaniteit impliceert. En speciaal op dit punt worden in het Westen thans de verschillen en daaruit voortkomende geschillen met het niet-Westen vaak als een botsing tussen beschavingen ervaren. Waar het de gruwelijkheid van het in officiële wetteksten neergelegde strafrecht betreft, doen evenwel alle grote culturen, of het nu de antieke, de Chinese, de islamitische of de christelijke betreft, van oorsprong nauwelijks voor elkaar onder. Het was ook in Europa pas de Verlichting, dus in zekere zin de overwinning óp het eigen eeuwenoude geloof, die ervoor zorgde dat lijfstraffen en gerechtelijke tortuur tot het verleden gingen behoren.
Dat fundamentalisme zich, getuige de islamitische landen waar de sjarie'a weer wordt toegepast, in de regel allereerst in een mensonterende strafpraktijk vertaalt, kan zo niet verbazen. Die hang naar een wrekende gerechtigheid is bij geen enkele godsdienst aan de orthodoxe vleugel helemaal vreemd. Nog in de Verenigde Staten vindt - en de huidige president mag daarvan als exponent gelden - de doodstraf de meest fervente aanhang in conservatief-christelijke, niet in verlicht-libertijnse kring: op het platteland in het zuiden, niet in New York. God blijkt in het godvruchtige Texas een even frequent voorstander van de elektrische stoel als van publieke geselingen in Teheran.
Over de intellectuele logica van de desbetreffende religie zegt het zo-even geconstateerde verschil in beschavingsoorsprong uiteraard niets. In dat opzicht moet misschien eerder het christendom het tegen de beide andere afleggen, gezien de fysische noodgrepen als opstanding, onbevlekte ontvangenis en heilige drie-eenheid die het behoeft om het eigen verhaal vorm te geven, zeker in de katholieke variant ervan. God zond ons zijn Zoon, maar liet daartoe via kunstmatige inseminatie de Heilige Geest bij de ook daarna Maagd gebleven vrouw van een ander het eigenlijke werk doen - en tegelijk zijn Vader, Zoon en Geest toch één. Wie deze familierelaties in een begrijpelijke stamboom weet weer te geven verdient een Nobelprijs voor de genealogie. Niet voor niets luidt het roomse uitgangspunt hier credo, quia absurdum - ik geloof het, juist omdat het absurd is.
De godsdienstige hang naar zekerheid
Vanuit het idee dat het eigen geloof op elke vraag een antwoord vraag heeft - en wel op elke vraag één antwoord heeft - gaan de vurigste bewakers van de religieuze rechtlijnigheid ook altijd zo fel tegen ketters en heidenen tekeer. Ketters gelden daarbij vanouds als erger dan heidenen, en dat is verklaarbaar. Heidenen immers weten niet beter: zij zijn door het ware geloof nog niet bereikt en kunnen aan hun ongelovigheid dus ook niet zo veel doen. Ketters daarentegen zijn wel met het ware geloof bekend, maar weigeren zich ernaar te voegen. Sterker: zij zijn er niet alleen mee bekend, maar gaan veelal van dezelfde oerbron uit, die vervolgens alleen anders en afwijkend wordt geïnterpreteerd.
Met dat laatste dreigt uiteraard de vanzelfsprekendheid van de 'ware' interpretatie, en in het directe verlengde natuurlijk ook het gezag van de zelfbenoemde hoeders van die ware interpretatie te worden ondermijnd - en daarmee de afvalligheid in de toekomst nog eens verder te worden vergroot. Vandaar de krampachtige pogingen van geestelijke leiders om hun interpretatiemonopolie te behouden, de curieprelaten van het Vaticaan vooraan: zonder dat is het immers ook met de essenie van hun macht gedaan. Het is het gevecht dat de Congregatie van de Heilige Geloofsleer al in de zestiende eeuw in de ene helft van Europa van de protestanten verloren heeft, het gevecht dat zij nu ook in de andere helft aan het verliezen is, en het gevecht dat nu in Iran door een intellectuele voorhoede tegen een deel van de ayatollahs wordt gevoerd.
Op een dieper psychologisch vlak vindt dit geloof aan één universele waarheid haar wortels in menselijke onzekerheid. De angst voor ketterij stoelt uiteindelijk op de angst dat men onder invloed van de argumenten van de ketters het met zoveel overgave beleden geloof in één universele waarheid zélf wel eens zou kunnen verliezen, een universele waarheid die voor velen het leven automatisch vermag te sturen, en op zoveel moeilijke levensvragen over een door de traditie gelegitimeerd pasklaar standaardantwoord beschikt. Hoeveel onzekerheid kan een mens in het leven aan? Niet al te veel, zeker de gelovige niet, die zich zonder die sturende God in het Al verloren zou voelen - en des te orthodoxer van geest die gelovige, tegen des te minder onzekerheid is deze geestelijk bestand.
Ook daarin zijn alle godsdiensten in essentie één. Dat kwam recent in Nederland nog eens aardig aan de oppervlakte op een ledencongres van de Staatkundig-Gereformeerde jeugd. Met ontwapenende naïviteit bekende een van de aanwezige jongeren tegenover een journalist van Elsevier dat zij al die pasklare antwoorden uit de bijbel wel zo geruststellend vond, omdat het haar zo moeilijk leek om over alles zelf te moeten nadenken. Inderdaad is denken moeilijk. Kritiekloos volgzaam blijven is veel makkelijker. In door islamitische geestverwanten van de SGP geregeerde landen wordt het laatste dan ook met het oog op de zielerust van de onderdanen sterk bevorderd, en het eerste bij voorkeur afgeschaft. Niet voor niets omschreef Immanuel Kant tweehonderd jaar geleden de kern van het programma van de Verlichting als de bevrijding van de mensheid uit de domheid van haarzelf.
De menselijke hang naar leefbaarheid
Toch hebben veel samenlevingen in het Westen ook vóór de doorbraak van de Verlichting de uit die menselijke hang naar zekerheid voortvloeiende neiging om anderen de eigen zekerheden op te dringen uiteindelijk overleefd. Tegenover de opdracht tot geestelijke dictatuur waartoe elk geloofsuniversalisme uit de aard der zaak neigt, staat de algemeen-menselijke drang tot matiging, het verlangen naar een bestaan in redelijke aangenaamheid.
De echte fanatiekelingen vormen in de regel een minderheid, de meeste mensen zijn geen scherpslijpers maar tenderen uit een zekere mate van gemakzucht in het leven van alledag naar tolerantie en souplesse. Voortdurend de buurman met de bijbel in de hand de les moeten lezen is dodelijk vermoeiend, en het verzuurt elk menselijk samenzijn. Als men slechts met volledig gelijkgestemden op vredige wijze weet om te gaan, blijft de mogelijkheid tot succesvol maatschappelijk functioneren zeer beperkt. Niet zonder reden sluiten de grootste waarheidsfanaten zich zodoende vaak in kloosterachtig van de overige wereld afgezonderde communes op. Dergelijk ascetendom is voor de familie-doorsnee met haar aardse verlangens en aardse feilbaarheid evenwel niet weggelegd. Zij moet en wil in de onvolkomen wereld buiten de kloostermuren voort. Met het oog op de mogelijkheid tot de realisering van eigen materile en andere belangen, weten daarom de meeste mensen meestal wel op geëigende momenten de ogen voor andermans onvolkomenheden te sluiten.
Die noodzaak tot matiging bij de verkondiging van de eigen waarheid wordt sterker, naarmate men met complexer en pluriformer culturen heeft te doen. Ook het van oorsprong meest rabiate geloof zal zich snel gedwongen zien om de leer meer of minder aan het leven aan te passen om in een sterk geürbaniseerde omgeving, waar de geestelijke horizon door de omgang met mensen met andere overtuigingen een stuk wijder is dan op het geestelijk meer geïsoleerde platteland, de nodige aanhang te kunnen verwerven. Tolerantie is allereerst een stedelijke kwaliteit, omdat steden als bovenlokale marktplaats van goederen en gedachten niet zonder belangstelling voor het van buitenaf komende vreemde kunnen bestaan. Vandaar dat niet alleen een met succes geïntroduceerde nieuwe godsdienst op grond van haar morele waarheidspretentie een samenleving verandert, maar omgekeerd zo'n samenleving het feitelijke karakter van die godsdienst evenzeer, zodat er al snel een discrepantie zal ontstaan tussen de formulering van de oorspronkelijke heilige tekst en de daadwerkelijke toepassing daarvan. Vandaar dat het er in New York anders aan toe gaat dan midden op de prairie van New Mexico. Vandaar ook, dat eveneens de islam zoveel verschillende verschijningsvormen kent, als gevolg van het feit dat zij in de loop der eeuwen ingang vond in zo uiteenlopende gebieden als Suriname en Bosnië, Indonesië en Marokko, Sub-Sahara Afrika en de slums van Istanbul.
Nog steeds onderscheidt de islam zich in het hete woestijnzand van Saoedi-Arabië door een op een nomadenbestaan toegesneden rigiditeit. In de oude stedelijke culturen van Egypte, Libanon en Syrië, waar bovendien ook na de Arabische zegetocht in de zevende eeuw aanzienlijke minderheden van andersgelovigen bleven bestaan, onderging zij al snel een metamorfose, en nam zij in plaats van haar van oorsprong enghartig tribalistische, juist in tal van gevallen sterk kosmopolitische karaktertrekken aan. Nadat het eerste geloofsvuur was gedoofd, kenmerkte het bewind van kaliefen en sultans ten opzichte van andere religies zich in de praktijk dienovereenkomstig veelal door een hoge mate aan verdraagzaamheid.
Dat maakte het mogelijk om ook de antieke cultuur, zoals die in Alexandrië en tal van andere oude metropolen als erfenis uit de Byzantijnse periode voorhanden was, in de eigen cultuur te incorporeren. Daarvan heeft uiteindelijk ook het christelijke Europa, waar het klassieke erfgoed in de donkerste periode van de Middeleeuwen grotendeels verloren was gegaan, later aanzienlijk geprofiteerd. Hoezeer de islamitische elite zich buiten het Arabisch schiereiland als mede-erfgenaam van de Romeinse Oudheid begon te beschouwen, bleek in 1453 uit de doelbewuste overname van Constantinopel als hoofdstad voor het nieuwe Ottomaanse Rijk, dat - zeer symbolisch - ongeveer dezelfde kerngebieden als het voorafgaande Byzantijnse omvatte. Alleen met de poging om ook de vacant geworden keizerstitel te usurperen, viste de Turkse sultan uiteindelijk achter het net, omdat deze, tot die van tsaar verbasterd, naar het verre Rusland verdween.
Op het wrijvingsvlak van islam en christendom
De door de Arabieren in de door hen veroverderde gebieden aangetroffen interne culturele en religieuze veelvormigheid laat onverlet, dat de islamitische wereld zich naar buiten toe manifesteerde als een aparte beschavingskring, die in beginsel wantrouwend ten opzichte van het Europese Avondland moest komen te staan, en dat wantrouwen was wederzijds. Zowel voor de moslims als voor de christenen viel de mensheid nu eenmaal in gelovigen en ongelovigen uiteen. Door de christelijke Europeanen werd met name de aanvankelijke snelle expansie van de islamitische Arabieren, die pas door de Frankische hofmeier Karel Martel in 732 bij Poitiers tot staan kon worden gebracht, als een bedreiging van de eigen cultuur gezien, gelijk de heidense Friezen zich een kwart eeuw later genoopt voelden drastische maatregelen te nemen bij de komst van Bonifatius.
Het aan de islam verloren gaan van niet alleen Spanje, Noordafrika, Syrië en Egypte, maar ook en vooral van het Heilige Land zélf, waar zich het lijdensverhaal van Christus had afgespeeld, was voor zowel de Latijnse als de Griekse christenheid moeilijk te verkroppen, en lokte als tegenreactie ten slotte op het laatst van de elfde eeuw, toen in Europa steeds meer verhalen over sche schending van de heilige christelijke plaatsen de ronde gingen doen, de Kruistochten uit. Het bloedbad onder de moslims, waarin deze vervolgens mede resulteerden, heeft de verhoudingen tussen beide religies daarmee voor lange tijd op scherp gezet, en de beeldvorming over en weer bepaald. Niet alleen dat Jeruzalem uiteindelijk voor de kruisridders onhoudbaar bleek, ook dat in 1453 het inmiddels voor de christenen nauwelijks minder heilige Constantinopel voor de Turkse overmacht capituleren moest, bracht in Europa een schok teweeg, en dat de Turken vervolgens in 1529 voor de poorten van Wenen opdoken, deed voor het in de voorgaande eeuwen weer iets aangesterkte christelijke zekerheidsgevoel ten opzichte van het islamitische gevaar voorlopig de rest.
Door al deze territoriale verschuivingen veranderde weliswaar de politieke constellatie van de daaraan onderworpen landen drastisch, maar in één ding resulteerde dit niet: in een volkomen islamisering van de door de Turken bedwongen streken, evenmin als dat eeuwen eerder de Arabieren was gelukt. Beide godsdienstig bepaalde beschavingen stonden zo niet als strikt afgebakende bolwerken gesloten tegenover elkaar, maar bezaten forse overlappingen in de grensgebieden waar moslims en christenen lange tijd met elkaar moesten samenleven: de Balkan, Sicilië, delen van Spanje. En gedurende de perioden dat soms de strijdbijl tussen Kruis en Kromzwaard even begraven was, fungeerde de Middellandse Zee, die beide beschavingen scheidde, vanzelfsprekend als het overslagterrein voor materiële en immateriële voortbrengselen van zowel de Europese als de Arabische kust. Geen van beide partijen bleek in staat de ander met behulp van de eigen God op de knieën te krijgen, en in het leven van alledag accepteerden velen dan ook uit aards eigenbelang de religieuze status quo, bij gebrek aan alternatief. Nadat met het succesvol doorstane beleg van Wenen van 1529 het Turkse gevaar enigszins was geweken, promoveerde de sultan zelfs min of meer tot een - hoezeer ook in een wat aparte positie geplaatste - medespeler in het interne Europese machtenspel.
Dat laatste hing ten nauwste samen met het feit dat, ongeacht alle religieuze retoriek over ongelovigen en een uit hun handen te bevrijden Heilig Land, de meeste conflicten van de koningen van Europa niet een verre moslimse medevorst betroffen, maar een hoogst christelijke gekroonde buur. Van de eersten ondervond men bij de realisatie van de eigen royale ambities in de praktijk immers weinig hinder, van de laatsten des te meer. De meeste oorlogen die vanaf de late Middeleeuwen in Parijs, Londen of Rome aan een vijand werden verklaard, golden geloofsgenoten, en vormden niet de militaire component van een botsing tussen beschavingen, maar van een botsing tussen belangen. Ruzies breken immers in de regel uit tussen personen die frequent met elkaar verkeren, niet tussen personen die leven met de rug naar elkaar toe. Alleen in de zuidelijke grenszone van Europa, waar het Avondland de Arabische wereld raakte, lag dat anders: een botsing tussen belangen kon hier makkelijker als een botsing tussen beschavingen worden gezien, en zo als een botsing tussen beschavingen worden gelegitimeerd.
De Spaanse pogingen om de Reconquista, en zeker de veelvuldige Oostenrijkse pogingen om de strijd tegen de Turken als een gezamenlijk Europese onderneming, als een nieuwe kruistocht voor het geloof voor te stellen, op grond waarvan de keizer van zijn christelijke collegae bijstand meende te kunnen vorderen, droegen over het algemeen weinig vrucht. Alleen toen Wenen in 1683 opnieuw zélf belaagd werd, konden de Habsburgers op breder assistentie rekenen, want na een val van Wenen kwam ook de positie van de andere Europese koningen in gevaar. Maar op andere tijdstippen gold eerder het omgekeerde, en de Franse koning beschouwde, als grootste concurrent van de Habsburgers, de Turkse sultan veelal als een nuttige bondgenoot. Tot ontzetting van keizer Leopold I ontzag zich Lodewijk XIV ook op de voor hem meest benauwende momenten niet om met de Verheven Porte te pacteren. Kruistochten, zo woof de Franse koning eens smalend de Weense bezwaren weg, waren sedert de dagen van Lodewijk de Heilige vier eeuwen terug toch echt uit de mode, en een religieuze gewetensdrempel voor een dergelijk samenspannen zag hij, zolang dit zijn eigen macht tot nut verstrekte, eigenlijk niet.
Het voorgaande lijkt er op te duiden, dat tegenstellingen tussen beschavingen niet uit zichzelf voortdurend tot grootschalige conflicten hoeven te leiden - en zelfs samenwerking niet in de weg hoeven te staan - zolang die tegenstellingen tussen beschavingen niet gepaard gaan met hevige belangentegenstellingen. Indien dit wél het geval is, verleent de godsdienst aan die belangentegenstelling echter een extra legitimerende kracht en zo een ideologische lading, die gevaarlijke ontploffingen kan veroorzaken, omdat in dat geval het samenvallen van een botsing van belangen met een botsing van beschavingen door de betrokkenen als zo vanzelfsprekend ervaren wordt.
Deze perceptie wordt des te indringender, wanneer een van beide partijen de botsing als een existentiële bedreiging voor het eigen voortbestaan ervaart. In zo'n geval zal snel de godsdienst van stal worden gehaald en tegen de vijand in stelling worden gebracht. Meer dan iets anders immers vermag religie een - in tijden van hoge nood geboden - absolute legitimatie aan het eigen handelen te verschaffen, en bovendien ook aanvankelijk lakse geestverwanten elders te mobiliseren: niet de positie van een toevallig vorst of volk, nee, de positie van het ware geloof, van de eigen beschaving is in gevaar!
De onvrede in de Arabische wereld
Van een dergelijke situatie is vandaag in de ogen van veel moslims sprake, waar het de relatie van de Arabische wereld met het Westen betreft. De Amerikaanse acties in Afghanistan vormen voor hen een volgende schakel in een lange keten van westelijke bevoogding en bemoeizucht, die met de opdeling van het Ottomaanse Rijk en het daarmee verbonden Europese imperialisme tussen Atlas en Indus, maar eigenlijk al met de Kruistochten zou zijn gestart. Gevoed door een breed gedeeld minderwaardigheidscomplex, voortvloeiend uit het feit dat in een ver verleden juist de Arabische wereld over de superieure beschaving beschikte, en sedert twee eeuwen de verhoudingen volledig omgedraaid zijn, worden alle westerse activiteiten in het Midden-Oosten met diep wantrouwen bejegend. Het christelijke Avondland zou het, net als ten tijde van de Kruistochten, weer op het islamitische Morgenland hebben voorzien.
Dit in decennia van onvrede geleidelijk opgebouwde gevoel van bedreiging doet velen hun moslimidentiteit intensiever beleven dan zonder deze intensieve westerse bemoeienis het geval zou zijn geweest. Zij vallen terug op de kern van het eigen geloof en verstarren dan in de fundamentalistische variant daarvan, temeer daar de meer liberale inheemse elite veelal - juist op grond van die overeenkomstige relativering van het geloof - als een vazal van het Westen wordt gezien.
Iemand immers moet het toch op zijn geweten hebben, dat de Arabische wereld niet meer die toonaangevende positie inneemt van duizend jaar geleden en in dat opzicht door de ooit inferieure christelijke ongelovigen is gepasseerd? Iemand immers moet er toch de oorzaak van zijn, dat de gelovige moslim niet op Aarde reeds de vruchten van zijn gelovigheid plukt, zoals zijn geloof die hem belooft? Waar het christendom in zijn eerste eeuwen maar moeizaam successen wist te boeken, een godsdienst van de armen en verdrukten was, aan wie ter compensatie van het aardse tranendal slechts een hemelse zaligheid na de dood in het vooruitzicht kon worden gesteld, daar was de islam al meteen na zijn ontstaan uiterst succesvol en zegevierend, zodat juist die aardse zeges en successen voor haar volgelingen de zichtbare blijken waren van de juistheid van het ware geloof. Als dan ettelijke eeuwen later die successen en zeges steeds meer achterwege blijven, moet dat dus aan verzaking van de geloofswaarheid te wijten zijn! En waar, zo zal menig rechtgeaard moslim vervolgens redeneren, valt die verzaking des geloofs meer te constateren dan bij de eigen machthebbers die, veelal verwesterd en verwereldlijkt en in Oxford of Harvard opgeleid, zich uit machtsbehoud al decennia lang aan het ongelovige Westen hebben verprostitueerd?
Die onmin met en afkeer van het Westen en de eigen verwesterde elite vertaalt zich in een groeiend fundamentalisme, dat aan de vele verpauperde massa's - en ook aan een beter opgeleide middenklasse die van haar opleiding als gevolg van de starre politiek-maatschappelijke structuren geen werkelijk profijt kan trekken - alsnog die voorspoed belooft die hen nu door de verkwanseling van het islamitische gedachtegoed zou worden onthouden. De verbreiding van de religieuze waarheid en de daaraan nauwgekoppelde ware religieuze levensvorm gaan daarbij vanzelfsprekend hand in hand: voor deze moslims valt het eigen geloof als vanouds onverbrekelijk samen met een eigen beschaving. De recent in vliegtuigkapingen omgezette vurigheid waarmee de felste fundamentalisten nu deze islamitische beschaving met kracht aan de man proberen te brengen, roept vervolgens weer bij de aangevallenen de angst op dat daarmee hún beschaving onder vuur is komen te liggen, en door die fundamentalisten is dat uiteraard ook zo bedoeld.
De beste verdediging van de eigen islamitische beschaving, die zij door de westerse beschaving ondermijnd menen te zien, moet in hun ogen in een aanval in het hart van die westerse worden gezocht. Het Westen wordt daarbij zowel decadent als foutgelovig beoordeeld, en achter die westerse ondermijning van de islam met decadente middelen steekt voor hen, de Kruistochten indachtig, hernieuwde zendings- en veroveringsdrift van het christendom. Is daarvoor, zo laten de Bin Ladens dan ook niet na te benadrukken, de ontwijding van de heilige Arabische bodem door hedonistisch-christelijke Amerikaanse troepen - en juist in Amerika gaan inderdaad het summum aan christelijkheid en het summum aan hedonisme een nauwe verbintenis aan! - alsmede de alsmaar voortdurende bezetting van Jeruzalem door joodse kolonisten met de niet aflatende zegen van de Verenigde Staten niet het beste bewijs?
Het Oosten vanuit westers perspectief
In de ogen van het Westen leidt, omgekeerd, deze toenemend in schreeuwende witte gewaden gehulde anti-westerse fobie tot de indruk dat enerzijds de islam in zijn algemeenheid niet voor rede vatbaar is en thans de oorlog aan de buitenwereld heeft verklaard, en anderzijds deze oorlog niet de specifieke Amerikaanse machtspositie in het Midden-Oosten geldt, maar de westerse beschaving als geheel. Deze oorlogsverklaring wordt door het Westen zelf vooral als een aanval op de open democratische samenleving gezien, en niet meer als een aanval op het christendom, omdat dit laatste door de leidinggevende elites intussen reeds lang niet meer als de politieke tegenpool van de islam wordt gedefinieerd. De centrale plaats die het christendom ooit ter onderscheiding van andere beschavingen in het westerse zelfbeeld vervulde, is inmiddels immers door de Verlichting ingenomen: in zekere zin door een gebrek aan godsdienst dus.
Het moslim-fundamentalisme wordt daarom nu, juist vanwege dat fundamentalisme, dus meer vanwege de tweede dan vanwege de eerste component, als de vijand van de Verlichting beoordeeld, waarvan de verdraagzame denkwijze de laatste twee eeuwen in Europa de oude godsdienstijver steeds meer op de achtergrond heeft weten te dringen. Niet godsdienst en godsdienst, maar godsdienstijver en godsdienstige tolerantie meent men hier tegenover elkaar te zien staan, waarbij het eerste met een in het Westen al ver achter zich gelaten primitief verleden, het tweede met de wereldwijd wenselijke toekomst gelijk wordt gesteld. Ook de Verlichting is immers enig universaliteitsdenken niet vreemd, alleen - en dat het is het wezenlijke verschil met de grote monotheïstische godsdiensten - maakt van haar als universeel gepresenteerde waarden tegelijk pluriformiteit de kerngedachte uit: niet door eenzijdige geloofsdictaten en verabsolutering van een specifieke waarheid, maar door relativering en open discussie wordt het best denkbare bereikt. En juist dat maakt de essentie uit van de westerse beschaving, waarop haar welvaren is gebaseerd.
Vanuit dit perspectief gaat het Washington en Westminster - en Bush en Blair laten (ondanks dat hun persoonlijk een eigen vorm van christelijk missionarisme niet vreemd is!) niet na dat te benadrukken - niet zozeer om een aanval van de islam op het christendom, maar van de achterlijkheid op de moderniteit. Die witte gewaden, die de fundamentalisten bij de in strak maatkostuum gestoken gebruikelijke gesprekspartners van het Westen in het Midden-Oosten zo flodderig doen afsteken, dragen aan die beeldvorming niet weinig bij.
Die moderniteit moet zich tegen die achterlijkheid verdedigen, in laatste instantie zelfs ten behoeve van de achterlijken zelf, die uit hun mensonterende achterlijkheid moeten worden bevrijd. Met het oog op wat de huidige schutspatronen van Bin Laden in eigen land hebben aangericht, hebben de nieuwe wegbereiders van de Verlichting in Centraal-Azië zeker een punt. Waar de krachten der Duisternis met moderne middelen de Verlichting belagen, kan niemand de laatste het recht ontzeggen om hardhandig terug te slaan. Geen kruistocht voor het christendom, maar een kruistocht voor de moderne beschaving acht zij nu uit zelfbehoud geboden, en dat thans de bevrijding van Afghanistan van de Taliban op de agenda is gezet, is van die gedachtegang het logische gevolg. Dat zich daarmee echter ook omgekeerd de moslim-fundamentalisten in hun gelijk bevestigd weten, spreekt voor zich: Amerika heeft het op de ware gelovigen voorzien, in een poging de islam voor eens en altijd uit te roeien, ter wegbereiding van het eigen christendom.
De toenemende verwevenheid van Oost en West
Een dergelijke perceptie van de Amerikaanse politiek wordt door de toenemende verwevenheid van West en Oost, en de toenemende confrontatie met de westerse welvaart aldaar dankzij televisie en toerisme, so wie so steeds verder versterkt. De voortschrijdende mondialisering draagt ertoe bij, dat men sterker van de culturele eigenheid en van mogelijke bedreigingen daarvan bewust is geraakt. Konden beschavingen in vroeger eeuwen nog grotendeels langs elkaar heen leven, de huidige dominantie van het Westen, en daarmee van de westerse levensstijl, maakt dit niet langer mogelijk. Het ingevolge de westerse politieke en economische suprematie binnendringen van vreemde normen en waarden in andere werelddelen resulteert, gezien het tempo waarin dit geschiedt, veelal in een snelle ontwrichting van eeuwenoude en door de eigen religie geheiligde traditionele samenlevingen.
Omdat de materiële baten van die ontwrichting vrijwel uitsluitend terecht komen bij de buitenlandse binnendringers en een kleine met hen samenwerkende autochtone elite, doet dat de vele slachtoffers van dit moderniseringsproces, voor wie daarvan geen vruchten lijken te zijn weggelegd, in een vijandige egelstelling verkrampen. Het roept bij hen de nodige haat tegen de ontwrichters in het leven, die uiteindelijk in een gewelddadige tegenreactie resulteert: if you can't join them, beat them. Waar de Amerikanen militair onverslaanbaar en langs deze weg dus niet uit de Arabische wereld te verdrijven zijn, lijkt de weg van de terroristische aanslagen, waartegen al die militaire superioriteit niet helpt, ter ontwrichting van de tegenpartij de meest aangewezen weg. Die is dan ook op 11 september door Bin Laden en de zijnen met tot dusver verbluffend succes ingeslagen. Zelden was de paniek de afgelopen halve eeuw in enig westers land zo groot.
Door die toenemende verwevenheid oogst het Westen ook op andere wijze in zekere zin wat het eerst zelf heeft gezaaid. Met de ontdekkingsreizen was in de late vijftiende eeuw de expansie van Europa over de Aarde begonnen, die met het imperialisme van de negentiende eeuw zijn hoogtepunt heeft bereikt. In de twintigste eeuw sloeg dit proces in zijn tegendeel om: in het kielzog van de dekolonisatie vestigden zich vele Afrikanen en Aziaten in het voormalige moederland, toen de verhoopte opbloei van de nieuwe zelfstandige staten in Afrika en Azië uitbleef, later door grote hoeveelheden Arabische immigranten gevolgd. Kwamen de Europeanen voorheen naar de hele wereld, nu komt voortaan de hele wereld naar Europa toe. Het tweede was in zekere zin een onvermijdelijk gevolg van het eerste, en omdat de Verenigde Staten al sinds lang tot dat welvarende Westen behoorden, kreeg ook Washington van al deze migratiestromen een zeer omvangrijk deel. Dat dit sterk wordt vergemakkelijkt door juist diezelfde moderne vervoersmiddelen die ook de komst van het Westen naar het niet-Westen vergaand de weg hebben helpen effenen, spreekt voor zich.
Zowel het steeds verder binnendringen van de moderne westerse cultuur in andere beschavingen, als de daarmee teweeggebrachte verhuizing van niet-westerlingen naar de hartlanden van diezelfde westerse cultuur, brengt aan beide uiteinden van deze navelstreng veel gelijksoortige onrust bij de daardoor uit haar vertrouwde doen gehaalde autochtone bevolking teweeg. In niet-westerse landen zien vele leden van traditionele culturen zich door de onweerstaanbaar oprukkende westerse cultuur bedreigd. In de westerse landen zien velen de westerse cultuur door de even onweerstaanbaar oprukkende leden van traditionele culturen - ja, bedreigd. En hoe dichter men op elkaars lip zit, hoe sterker die bedreiging wordt gevoeld: fusie betekent immers ruzie. Op die gronden worden de uit deze onophoudelijk voortschrijdende - en met steeds intensiever contacten tussen uiteenlopende samenlevingen gepaard gaande - grootschalige maatschappelijke veranderingsprocessen resulterende wrijvingen ter plekke al snel als een confrontatie tussen culturen begrepen, en krijgt een hevig conflict tussen (groepen) staten uit deze culturen al snel in veler ogen het karakter van een botsing tussen beschavingen. In de belevenis van beide partijen staat, door de zojuist genoemde intensivering, het behoud van de eigen identiteit op het spel.
Het Westen vanuit oosters perspectief
Die vrees voor het verlies van de eigen identiteit is uiteraard sterker bij de onderliggende dan bij de bovenliggende partij. Dit temeer, daar de universaliteitsclaim van de democratische waarden die het Westen zegt voor te staan, niet alleen door veel conservatieve moslims als in strijd met de islam wordt ervaren. Die claim bezit bovendien, en dat is op grond van hún historische ervaringen zeer begrijpelijk, in hun ogen ook op zichzelf weinig geloofwaardigheid, omdat het Westen buiten de eigen beschavingskring uit machtspolitieke overwegingen vaak zelf die waarden liever even vergeet.
Hoeveel dubieuze regimes, wier beleid weinig met democratie en mensenrechten heeft uit te staan, hebben met name de Verenigde Staten niet de afgelopen jaren omwille van de olie door dik en dun gesteund? Is niet Amerika's belangrijkste bondgenoot in de regio, het feodale Saoedi-Arabië, zelf de kweekvijver van Bin Laden en consorten geweest? Zijn niet indertijd juist de meest fanatieke moedjahidien door de CIA geronseld om de Russen Afghanistan uit te vechten, in de wetenschap zij ook over de grootste vechtlust beschikten, zodat Washington nu met haar bombardering van de Taliban in feite de strijd aanbindt met haar eigen geesteskind? Is niet ook Irak ooit vooral door de vijf permanente leden van de veiligheidsraad bewapend - dezelfden dus die nu de kern van de coalitie tegen het terrorisme vormen - omdat het toen even als een minder groot gevaar gold dan Iran? Hoe kan men over gerechtigheid spreken, waar de rechten van de Palestijnen al vijftig jaar door Israël, de ene VN-resolutie na de andere negerend, stelselmatig worden vertrapt zonder dat het Westen dat land tot de orde roept? Hoe kunnen nu Qaddafi en Assad, even tevoren nog als leiders van terroristische schurkenstaten weggezet, plotseling als stabiele partners voor de wereldvrede worden omarmd? Hoe veel waarde, zo zal menig moslim denken, kan men hechten aan de oprechtheid van een grote mogendheid die dit alles jarenlang liet gebeuren dan wel actief stimuleerde, en nu plotseling piept omdat er bij haar thuis twee hoge torens zijn ingestort? Voor veel Arabieren moet om al die redenen dat wat Amerika nu, op 11 september wakker geschrokken, in de strijd tegen het terrorisme als verdediging van de westerse beschaving betitelt, vooral als een verdediging van westerse belangen worden gezien.
Dit probleem, dat de ingezetenen van het Westen vooral de voordelen van die westerse beschaving genieten, en de politieke prijs daarvan vooral door niet-westerse landen laten betalen, doet zich ook in andere werelddelen voor. Maar in het Midden-Oosten is de hoogte van die betaalde tol wel extra schrijnend. Hier gaat namelijk, vanwege de evidente economische belangen van het Westen, de westerse bemoeienis het verst, en moet deze bemoeienis, omdat zij niet met de belangen van de gewone bevolking spoort, wel de meeste weerstand oproepen. De corrupte antiek-feodale, of modern-autocratische regimes die hier met Amerikaanse steun in het zadel worden gehouden, bekommeren zich immers slechts om hun eigen rijkdom en macht. Oppositie wordt er niet geduld, veelal met stilzwijgende goedkeuring van Washington, omdat deelhebben van de Arabische bevolking aan de oliebaten de olieprijs op zal drijven, en daarmee komt de vooral uit ontremde benzineconsumptie bestaande American way of life direct in gevaar.
Een intussen vrij hoog opgeleide Arabische middenklasse krijgt, ten gevolge van de politieke achterlijkheid van de heersende regimes en het achterwege blijven van economische groei, geen kans om haar intellectuele kapitaal in maatschappelijke welvaart om te zetten, en ziet zo haar weg naar een betere toekomst versperd. Zocht zij in vroeger jaren haar heil veelal bij een democratische, seculiere, overwegend links georinteerde oppositie, deze is intussen in de meeste landen door de autocratische machthebbers verboden en hardhandig onderdrukt. De enige politieke vrijplaats die is overgebleven, is zodoende de moskee. Die kan immers in Caïro of Karachi moeilijk worden verboden.
Daarbij kwam nog iets. Voor veel moderne Arabieren gold de Verenigde Staten, met haar oorsprong als vrijgevochten kolonie, na de Tweede Wereldoorlog als een medestander in de strijd voor zelfbeschikking, maar dat krediet is reeds lang opgebruikt. Voor veel moderne Arabieren gold daarnaast en daardoor de Verenigde Staten ook als een voorbeeld van een staat van welvaart en welzijn die zij, door scholing aan westerse universiteiten, zelf eveneens hoopten te kunnen bereiken. Niet voor niets staken velen de Atlantische Oceaan over om ginds een nieuw bestaan op te bouwen. De houding van de seculiere Arabieren ten opzichte van Amerka wordt daardoor door een zekere tweeslachtigheid bepaald: enerzijds de wens om erbij te horen, anderzijds de wens om zichzelf te blijven. Afhankelijk van de wijze waarop de Amerikanen optreden geeft nu weer eens het een, dan weer eens het ander de doorslag, en de Arabische kritiek op Amerika wordt zodoende voor een deel zeker ook door afgunst bepaald.
Waar evenwel elke poging om vooruit te komen door de immobiele verhoudingen in eigen land wordt gefrustreerd, waar die wens om erbij te horen steeds opnieuw onhaalbaar blijkt, daar slaat jaloezie om in haat. Dan is de even eerder als trendy druk bezochte hamburgertent een bruggenhoofd van westers imperialisme geworden, dat de Arabieren van hun eigenwaarde berooft. Dan is die eerder vanwege zijn uitdagende erotiek zo populaire jeans plots een vorm van decadentie, en horen vrouwen om geen hoeren te zijn als spoken over straat te gaan, en voor de rest thuis achter het fornuis. Dan worden velen noodgedwongen trots op het enige wat hen, als de beschaving waaruit zijzelf zijn voortgekomen, kennelijk overblijft: de islam, en dan het liefst in zijn meest authentieke en zuivere vorm. Dan wordt men trots op hetgeen men in het Westen als achterlijk veracht. Dan wordt men daarop trots, juist omdat men dat in het Westen als achterlijk veracht. Waar de begeerde vruchten van Verlichting en vooruitgang, van de westerse moderniteit, steeds buiten handbereik blijven, daar sluit men zich op in de eigen achterlijkheid.
Dan wordt de islam de bril waardoor men de hele wereld beziet. Dan worden andere godsdiensten, en daarmee andere beschavingen, tot de grote duivelse vijand, tot de Grote Satan verklaard, eens te meer wanneer zo'n andere beschaving de eigen al buitengewoon ver blijkt te hebben gepenetreerd. Dan is de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de Golf niet alleen gegrond op economische belangen - die gelden dan als secundair. Die zijn dan, in de ogen van de fundamentalisten, een voorwendsel, een afgeleide geworden van dat waarom het het (afwisselend als christelijk en ongodsdienstig gescholden) Westen op zijn nieuwe kruistocht zou zijn te doen: de bezoedeling van de heilige plaatsen, de vernedering en ontering van de islam. In die context krijgt dan vervolgens het hele Isralisch-Palestijnse conflict een ideologische lading, die het zonder het fundamentalisme, en zonder de vóórtdurende armoede en zonder de olie, vermoedelijk als zelfstandige kwestie nooit zou hebben gehad.
Botsende beschavingen versus botsende belangen
Omdat belang en beschaving zo door elkaar lopen, is de tegenstelling zoals die sinds 11 september tussen het Westen en de Arabieren dreigt te ontstaan, extra explosief. Het gevaar bestaat dat ingevolge Amerikaans optreden in Afghanistan alle Arabieren verder op een hoop worden gedreven, en zij in steeds groter getale de huidige wijze van terrorismebestrijding als een aanslag op de islam gaan zien. Waar hier door ondoordachte retoriek een botsing tussen beschavingen dreigt, is het de voornaamste opgave om dit juist te voorkomen.
Op korte termijn is daartoe het behoud van de steun van het gematigde deel van de moslims een eerste vereiste, opdat de strijd tussen Bush en Bin Laden niet - zoals laatstgenoemde graag wil - in een godsdienstoorlog ontaardt, maar een gevecht blijft tussen een geordende moderne samenleving (van welke religieuze kleur ook) en gewelddadige anarchie. Om die steun te behouden en duidelijk te maken dat het Westen hier niet slechts eigen materiële belangen verdedigt, zal er minder met twee maten gemeten moeten worden en meer aandacht voor gerechtvaardigde Arabische grieven moeten zijn - en dat betekent allereerst het afdwingen van wezenlijke Israëlische concessies ten bate van een blijvende vrede in het land van Jeruzalem.
Verder is het nodig dat een veel substantiëler deel van de Arabische bevolking deel krijgt aan de nu met westerse zegen bij een kleine elite geconcentreerde politieke macht in eigen land, ook al drijft dit de olieprijs ongetwijfeld op. Tegelijk zal echter, om het gevoel van bedreiging van de eigen cultuur dat bij velen in het Midden-Oosten bestaat weg te nemen, en daarmee een botsing tussen beschavingen te vermijden, ook door het Westen terughoudendheid betracht moeten worden bij het stellen van economische voorwaarden aan andere volkeren die als van buiten opgelegde plicht tot overhaaste modernisering binnen de kaders van een traditionele samenleving wel moeten leiden tot een angst en haat jegens het Westen oproepende ontworteling van velen en tot ontwrichting van de hele maatschappij. Anders krijgt Huntington met zijn voorspelling dat toekomstige oorlogen botsingen tussen beschavingen zullen zijn, misschien alsnog gelijk.
Thomas von der Dunk, 4 november 2001