WEES CONSEQUENT NEUTRAAL TEGENOVER RELIGIE
Als gevolg van de paniekerige angststemming voor een dreigende 'islamisering' van Nederland is de scheiding van kerk en staat weer op de politieke agenda beland. Die discussie krijgt nu een belangrijke impuls vanuit Frankrijk, waar de commissie-Stasi zojuist haar rapport over de (on)toelaatbaarheid van religieuze symbolen in de openbare ruimte heeft gepubliceerd.
Ook voor ons is dat nuttig, omdat tot nu toe teveel voor een kronkelige ad-hoc-koers is gekozen, waarbij niet het formuleren van heldere richtlijnen, maar het vermijden van 'discriminatie'-gevoelige conflicten de boventoon heeft gevoerd. Vooropgesteld moet worden dat het principiële Franse laïcisme voor Nederland te rigide is, omdat de beoogde godsdienstige neutraliteit van de staat te sterk in een bewust godsdienstvijandige houding omslaat. Een iets minder geforceerde attitude is wenselijk. De scheiding van kerk en staat moet behelzen dat de kerken geen bijzondere voorrechten genieten, niet dat zij niet als elke andere maatschappelijke organisatie over maatschappelijke problemen gehoord zouden kunnen worden - maar dan ook inderdaad (en dat is voor sommige bisschoppen en predikanten met hun exclusieve claim op de Waarheid natuurlijk nog wel eens moeilijk te verkroppen) op dezelfde basis als elke andere maatschappelijke organisatie.
Hoe moet de overheid in het licht van de vele moslimimmigranten omgaan met de scheiding van kerk en staat, waar tegelijk de vrijheid en gelijkheid van godsdienst in de Grondwet is vastgelegd? Het eerste impliceert dat moslims dezelfde rechten als christenen hebben, en het laatste dat er ook religieuze uitingsvrijheid bestaat, zodat deze zich niet hoeft te beperken tot een zolderkamertje achteraf. Zij kunnen zich op de vrijheid van meningsuiting en op het demonstratierecht beroepen, zodat openbare religieuze processies, toogdagen en feesten net als alle anders geïnspireerde feesten onder een reeks van randvoorwaarden, de openbare orde betreffend, in beginsel zijn toegestaan. Dat geldt voor hen evenzeer als voor de jongerendag van de EO. Het is ieders recht om niet van zulke manifestaties te houden, maar het hoort bij een open samenleving dat men niet alles waar men niet van houdt meteen verbiedt. Dat dreigt met name de VVD onder aanvoering van Hirsi Ali momenteel te vergeten - voor een 'liberale' partij een opmerkelijk feit.
De scheiding van kerk en staat dient zich te beperken tot die plekken, waar het staatsgezag zèlf naar buiten treedt. Maar daar dient men dan ook consequent te zijn. Dat betreft allereerst de sterke arm van de staat, die neutraal moet ogen zodra zij zich zichtbaar in de samenleving manifesteert: leger, douane, marechaussee, politie en rechterlijke macht. Net zo min als er aparte hoofddeksels zijn voor hindoestaanse of joodse agenten, kan men hoofddoekjes voor griffiers of rechters in de rechtszaal tolereren, zoals in Zwolle is gebeurd. De sollicitante die zich daarmee in haar religieuze plichten beperkt voelt, staan twee wegen open: een andere werkkring zoeken of emigreren. Hetzelfde geldt voor het openbaar bestuur: ministers en burgemeesters vertegenwoordigen in 's lands of 's stads vergaderzaal het staatsgezag, en dat dient met een a-religieuze hoofdtooi te geschieden. Daarin schuilt een verschil met raadsleden of kamerleden, die daartoe wel de vrijheid hebben, omdat zij immers elk voor zich niet het geheel (de staat) maar slechts een bepaald deel (een partij) van de samenleving vertegenwoordigen. Of zo'n hoofdtooi op zich ook wenselijk is, is een tweede.
Dan het openbaar onderwijs, recent weer in het nieuws. In een stelsel waarin ouders het recht hebben om op godsdienstige grondslag een eigen school te stichten, kan men voor de openbare school verder gaan dan anders. Want zoals religieuze ouders dankzij het bijzonder onderwijs de mogelijkheid hebben om voor hun kroost een religieus herkenbare leraar te zoeken, hebben niet-religieuze ouders het recht om van al teveel opdringerigheid in dezen gevrijwaard te blijven. Dat betekent, dat de klaslokalen neutraal moeten zijn en ook de docenten in dat opzicht redelijk neutraal moeten ogen: een permanente nadrukkelijke confrontatie van anderen met de eigen religieuze overtuiging is ongewenst. Een kruis aan de wand is daarbij iets anders dan een kruis om een hals, en net zomin als een getuige bij de rechtbank als 'klant' van een neutrale overheidsinstelling haar hoofddoek hoeft in te leveren, hoeft een scholiere dat. Dat ligt uiteraard anders voor een gezichtssluier, omdat die communicatie en identificatie onmogelijk maakt. Bivakmutsen zijn in een bankfiliaal en in de schoolbanken ook niet toegestaan.
Godsdienstvrijheid impliceert weliswaar het recht om zijn godsdienst te beleven, maar niet om dat overal en altijd te doen. Het probleem zit hem hier niet in godsdienst als zodanig, maar in de claim van sommige belijders dat hun religieuze verplichtingen steeds voorrang moeten hebben. Dat brengt ons op de twee laatste punten van belang: omgangsvormen en faciliteiten. In beide opzichten zal een religieuze groepering zich op het openbare terrein van een onderwijsinstelling aan de algemene normen aan moeten passen. Men kan uiteraard niemand dwingen om de eigen kennissenkring een evenredige afspiegeling van de samenleving te laten zijn, naar ras, religie of kunne. Maar als het gaat om het gebrek aan bereidheid van sommige moslimmannen om het gezag en de uitgestoken hand van vrouwelijke docenten of agenten te aanvaarden, komt een grens in zicht.
Datzelfde geldt voor de regelmatig geuite en soms sluipenderwijs al vervulde wens om op openbare scholen over gebedsruimtes te beschikken. Bij roosters is, net als voor christelijke zondagen, een zekere flexibiliteit niet uit den boze, maar kan niet met alle denkbare varianten rekening gehouden worden. Net zoals de Reformatie indertijd al onder het grote aantal onproductieve katholieke feestdagen opruiming hield, is ook in geval van moslims een dagindeling die tezeer door godsdienst wordt bepaald niet inpasbaar in de publieke instituties van een moderne seculiere maatschappij, en op zulke momenten dus aanpassing hunnerzijds geboden. Voor wie dat offer onoverkomelijk is rest de verhuizing naar een bijpassende theocratie.
Een en ander heeft wel als consequentie dat de atheïst daarbuiten dan ook niet langer meer moet zeuren. Netzogoed als kerken hoge torens mogen hebben, mogen moskeeën dat met minaretten. De recente Rotterdamse protesten daartegen herinneren aan de benepen reacties van negentiende-eeuwse protestanten op de bouw van neogotische katholieke kerken, waarachter ook buitenlandse geldstromen en duistere orthodoxe krachten werden vermoed: moest dat nou zo groot? Als de staat op staatsterrein de neutraliteit voortaan strikter handhaaft, hoeft men daarop minder paniekerig te reageren. Dan zal men in ambitieuze islamitische bouwprojecten ook niet meer de voorbode van een Saoedische overname van Nederland vrezen, zoals men in 1853 bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie voor een Vaticaanse machtsovername deed.
Thomas von der Dunk, 19 december 2003