EIGEN IDENTITEIT EERST!
Angst voor de vreemdeling
Sinds de Exodus van Mozes - en al lang daarvoor, alleen weten wij daar wat minder van af - zijn voortdurend volkeren, stammen, families, individuen naar hun nieuwe Beloofde Land getrokken, omdat zij elders een betere toekomst verwachtten, voor zichzelf en voor hun nageslacht. Culturele, materiële, politieke en psychologische aspecten lopen daarbij altijd dooreen, en de schaal van vervolgd vluchteling tot economisch gelukszoeker is een glijdende.
Sinds de Exodus van Mozes hebben echter niet alleen voortdurend volkeren, stammen, families, individuen naar een nieuw Beloofd Land uitgekeken, door de oude bewoners van dat nieuwe Beloofde Land is de komst van die nieuwkomers ook vaak met wantrouwen gadegeslagen, of het nu ging om 'het inpikken van onze banen' of 'het inpikken van onze grond'. Juist in het enige 'officiële' Beloofde Land, het Heilige, weten Palestijnen en Israëliërs beter dan wie ook tot wat voor soort onmin zulke schaarste leidt. Reeds in oudtestamentische tijden ging om die reden menig huis van de kinderen Israëls naar de filistijnen en omgekeerd.
Sinds de Exodus van Mozes is de vreemdeling bovenal met argwaan bejegend omdat hij zo anders is dan 'wij'. Hij koestert de foute gewoonten, hij verbouwt de foute groenten, hij verspreidt de foute geuren, hij aanbidt de foute goden, en hij brabbelt, bovenal, een geheel afwijkende woordenbrij. Vooral dat laatste zien we niet graag, want misschien vormen wij wel zijn gespreksonderwerp. Is hij wel te vertrouwen, of manifesteert zich in hem een vijfde kolonne onder ons?
Xenofobie is van alle tijden, maar van sommige tijden toch wat meer. In het Europa van de vroege eenentwintigste eeuw, met zijn door globalisering vervagende nationale grenzen en zijn vele intercontinentale immigranten, neemt de angst voor vreemdelingen weer toe. Wie zijn zij, nu wij steeds minder zeker weten wie wij zélf eigenlijk zijn? Wat is een Nederlander nog, nu wij op 11 september 2001 allemaal New Yorkers heten te zijn geworden? Sinds de Fortuynrevolte van twee jaar terug meent vooral de VVD haar eigen onzekerheid te moeten overschreeuwen door van iedere allochtoon acute inburgering te verlangen - correct Nederlands zal hij dag en nacht spreken, ook al is het eigen Nederlands toenemend door Engels managers-newspeak vervuild. En als hij niet wil, wat komt hij hier dan doen? Dan kan hij toch alleen maar kwaad in de zin hebben, gezien die foute groenten en foute goden? Die dienen hem dan ook in een snelkookles te worden afgeleerd.
Verlicht zal hij worden, en wee de softeling die enige relativerende woorden uit! Was het tot voor kort zo dat iedereen die het multiculturele samenleven met moslims niet als een Hof van Eden beschouwde van demonisering werd beschuldigd, nu krijgt iedereen die de islam niet demoniseert, het verwijt de problemen nog steeds niet te willen zien. Dientengevolge proberen politici elkaar voortdurend te overbieden met de roep om nóg hardere maatregelen als blijkt dat de vorige niet direct het gewenste effect hebben gesorteerd.
Het evenwicht is moeilijk te vinden: de conflictstof onderkennen zonder de ander te verdoemen, en de eigen waarden hooghouden zonder de tijdgebondenheid ervan te ontkennen. Het hedendaagse verlichtingsfundamentalisme, dat de eigen waarden als universeel verabsoluteert, gaat mank aan een gevaarlijk gebrek aan psychologisch en historisch inzicht waardoor zijn adepten niet kunnen snappen waarom de ander anders is en dat 'anders-zijn' voor de ander even vanzelfsprekend is als het zijn-zoals-we-zijn voor onszelf.
Begrijpen waarom de ander anders is, betekent geen onvoorwaardelijke goedkeuring daarvan, maar vormt een noodzakelijke voorwaarde om überhaupt iets te kunnen veranderen. Het eerste wat nodig is, is namelijk het besef dat er voor de ander misschien hele legitieme redenen kunnen zijn om niet zo te willen worden als wij, omdat zij met de praktische vertaling van onze waarden negatieve ervaringen hebben opgedaan. Dat zien wij in Rusland, waar 'democratie' door de gedachteloze import van een thatcheriaans kapitalisme in de Jeltsinjaren een besmet begrip is geworden, en de grote meerderheid van de kiezers nu gewillig de autoritaire stabiliteit omarmt die Poetin belooft.
Nergens echter blijkt dat nu op zo fatale wijze als in Irak. De Amerikanen koesteren de misvatting dat eigenlijk iedereen Amerikaan wil worden - voor henzelf of hun voorouders was dat immers ook een bewuste keuze - en dat wie dat niet wil, dus niet deugt. Dat vertaalt zich, zoals nog recent in het Maandblad van het NRC uit de doeken werd gedaan, nu in een ongelovelijke hoeveelheid soldateske agressie jegens de inheemse bevolking van Irak, die daar slechts tomeloze haat genereert. Voor het feit dat de Arabieren, gezien de westerse rol in het verleden van de regio alle reden hebben om de nieuwe boodschap van 'democratie' met scepsis te bezien, en het Westen hen wel bijzonder weinig concrete handvatten aanreikt om tot een andere visie te komen, zijn de neoconservatieve Jacobijnen uit Washington en hun volgzame Balkenendes volslagen blind.
Veelzeggend was, in datzelfde Maandblad, het interview met de invloedrijke denktank achter Bush, de familie Kristol. Kristol senior: "Mijn oriëntatie was en is de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie die eigenlijk geen politiek was: je verovert wat je kunt veroveren, je ondermijnt wat je kunt ondermijnen. Het is niet waard er langer dan vijf minuten over na te denken". Wie er zo'n eendimensionaal wereldbeeld op nahoudt omdat hij niets meer wil leren begrijpen, is levensgevaarlijk, zodra hem de macht in handen valt - en dat is Amerika nu.
Die eendimensionale blik heeft in Nederland met name de VVD bevangen, als het om 'onze' vreemdelingen gaat. Ze kan nog heel wat leren van het Pruisen van Frederik de Grote, waar iedereen maar op zijn manier zalig worden moest, of het oude Rome, waar de machthebbers wisten dat hun rijk en de Pax Romana alleen maar konden overleven, als men de vele volkeren achter de Limes hun eigen goden liet, zolang die volkeren ook maar de goden van de anderen respecteerden (een klein probleem met het Christendom). Heel geleidelijk, door het gewicht van de Romeinse civilisatie en de voordelen die deze bood, romaniseerden al die Kelten, Iberirs, Thraciërs en Egyptenaren - in een proces van vier eeuwen, niet in een Verdonk-cursus van een halfjaar.
Als in dat ijltempo de wedergeboorte van de vreemdeling als Volledig-Nederlander niet lukt, worden momenteel meteen de motieven voor zijn komst in twijfel getrokken: hij moet een bedrieglijke profiteur wezen, ook al bestaat er geen principieel verschil tussen iemand die vanwege onze welvaart besluit om Nigeria voor Nederland te verruilen, en iemand die vanwege een beter betaalde baan van Rotterdam naar Groningen verhuist.
Zijn niet beiden op 'profijt' uit, en dan vooral op persoonlijk profijt? En is de ideologie van onze markteconomie niet juist op de legitimiteit van dit profijtstreven gebouwd? God helpt hen, die zichzelve helpen, om de liberale huisheilige Adam Smith even in termen te vertalen die men ook buiten het seculiere Europa begrijpt: het algemeen welzijn is er het meeste bij gebaat wanneer iedereen zoveel mogelijk zijn eigen welzijn tracht te bevorderen. Wie is dan uitgerekend iemand van de VVD om hen deze ontplooiing van particulier initiatief kwalijk te nemen? Hebben zij niet juist bewezen 'hun verantwoordelijkheid te nemen' - om eens de zielloze mantra van onze premier te repeteren - door niet in een tropische negorij lijdzaam onder de palmboom te blijven suffen, net zoals onze hooggeprezen Indivaarders dat in de Gouden Eeuw ook niet op hun Friese terpje onder de dorpseik hebben gedaan?
Heeft de VVD het ooit de Grote Bolkestein kwalijk genomen dat hij omwille van zijn persoonlijke voorspoed wel eens tijdelijk het Nederlandse met het Indonesische heeft verwisseld? Heeft Eduard Bomhoff, toen hij na zijn Haagse avontuur naar Bahrein vertrok, ook van tevoren in Amsterdam een inburgeringscursus gevolgd, thuis alvast Arabisch geleerd en zijn morele opvattingen meteen na aankomst met die van de eerste de beste woestijnsjeik gelijkgeschakeld? Waren er vanuit zijn perspectief niet ook heel plausibele gronden om met het praktizeren van de veelwijverij toch nog even te wachten? Maar heeft dan ook omgekeerd zo'n identiteitsaanpassing 'aan ons' niet gewoon wat tijd nodig? En leidt forceren niet juist tot een afweerreactie, omdat de eigen identiteit voor de vreemdeling in een nieuw land vaak nog het weinige eigene is dat hij bezit?
In het verleden werd daarbij bovendien tegen dat 'eigen' en 'vreemd' anders aangekeken dan nu: het gaat hier om vaak toevallige tijd- en plaatsgebonden grootheden, die geenszins door een hogere etnische waarheid worden bepaald. In het Westen betreft dit eigene weliswaar thans, in het moderne tijdperk van de natiestaat, allereerst een natie, een heel volk, wonend in zijn eigen land: de vreemdeling als buiten-lander. Elders, waar staat en natie, land en volk, wat minder vanzelfsprekend samenvallen, kan de vreemdeling echter ook iemand van een andere stam of clan zijn of van een andere variant van het geheiligde geloof: de vreemdeling is dan wel binnen-lander, deelt dezelfde staatkundige overheid, maar hoort niet tot de eigen groep. Zo zijn de verhoudingen tussen soennieten, sjiieten en Koerden in Irak.
Maar ook in ons eigen hoekje van het continent vormt dat nationale eenheidsgevoel van Termunten tot Terneuzen geen vanzelfsprekendheid die teruggaat tot de oude Batavieren. Nederland is na de Reformatie volstrekt bij toeval ontstaan; wie in de late Middeleeuwen in onze contreien naar bovenregionale samenhang speurt, komt op heel andere 'logische' verbanden uit dan die welke in 1648 bij het uittreden van de Zeven Provinciën uit het Heilige Roomse Rijk in de Westfaalse Vrede werden gebetonneerd. Van de oorspronkelijke Zeventien van Filips II naar de uiteindelijke Zeven van Frederik Hendrik: dat was, toen tachtig jaar eerder de Opstand uitbrak en allereerst in Vlaanderen (en niet op de Veluwe) het calvinisme wortel schoot, nooit de bedoeling geweest.
Ook bij het ontstaan van die Zeventien Provinciën zelf heeft het toeval een grote rol gespeeld. Pas de Bourgondische hertogen hebben, via het zwaard en het bed, een groot aantal van deze voordien volstrekt zelfstandige territoria onder hun hertogshoed verenigd, en de toevoeging van Utrecht, Gelderland en Friesland tot 'De Nederlanden' volgde zelfs pas onder Karel V - amper een kwarteeuw voor de Tachtigjarige Oorlog begon. Tot dan toe was bijvoorbeeld Gelderland cultureel veel meer op het Rijnland dan op Holland georinteerd: een inwoner van Arnhem had indertijd de Rotterdamse humanist Erasmus vast méér als een vreemdeling beschouwd dan de in Duisburg woonachtige geograaf Mercator. Het is, dat Karel V inderdaad nog net aan de verovering van Gelderland was toegekomen en na die van Gelderland even wat anders aan zijn hoofd had, want anders was in 1990 ook Zaltbommel met Leipzig wiedervereinigt, dan wel behoorde het Ruhrgebied aan ons.
Het gevoel van verwantschap reikte in die tijd niet veel verder dan het eigen gewest, het eigen hertogdom, zo niet nauwelijks verder dan de eigen stad, en dat was ook nog zo lang nadien. Als vreemdeling gold in het Nederland van Piet Hein niet alleen de Spanjool, maar evengoed iemand uit een andere provincie. Niet voor niets was dat Nederland een zwakke federatie van nagenoeg souvereine steden die elkaar slechts in hoge nood vonden, tot met de Bataafse Omwenteling van 1795 de verhoudingen op hun kop werden gezet en een door de Franse Revolutie geïnspireerde moderne eenheidsstaat werd gecreëerd.
In die souvereine steden reserveerden een handvol oudingezeten regentenfamilies de lucratieve overheidsbaantjes voor zichzelf. Eigen volk eerst! Zelfs na anderhalve eeuw gezamenlijke Republiek was die ingebakken kerktorenmentaliteit van veel Nederlanders nog lang niet verdwenen; zo keerde zich nog in 1768 de Amsterdamse koopman Cornelis Ploos van Amstel in een scherp schotschrift tegen de benoeming van de 'vreemdeling' Cornelis Rauws tot stadsbouwmeester - Rauws stamde uit Woudrichem.
En hoe zit dat met Friesland en Limburg? De volksopstand die onze regering juist op het punt van ongewenste vreemdelingen even in het noorden leek te ontketenen, maakt duidelijk dat men ginds de vestiging van het Haagse oppergezag nog steeds niet geheel heeft geaccepteerd, ook al beschikken de Friezen niet meer over een eigen militie om straks nog Rita Verdonk bij Goejanverwellesluis tegen te houden. En ook Limburg had lange tijd niets met de rest van Nederland. Nog bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986, waarbij de PvdA in Maastricht voor het eerst groter werd dan het CDA, reageerde een christen-democratische wethouder verbolgen dat de plaatselijke PvdA-top niet uit 'echte' Limburgers maar vooral uit Hollandse import bestond: in zijn ogen hadden nu duidelijk vreemdelingen 'zijn' stad overgenomen.
De vreemdeling, kortom, kan vele gedaanten aannemen. Het is zowel de islamitische Iranees in de Amsterdamse Pijp, als de Amerikaanse expat die gedropt wordt in de Amsterdamse Grachtengordel en de Belgische kunsthistoricus die directeur wordt van een Nederlands museum, maar daar wegens de oeverloeze vergadercultuur niet aarden kan. En het is ook de Nederlandse belastingvluchteling in Brasschaat of de stedeling die zich op zoek naar rust op het platteland vestigt, en zich daar aan het matineuze geknor van de laatste vrije varkens ergert of anderszins maar niet in het dorpsleven integreren wil.
Of de komst van de vreemdeling positief of negatief gewaardeerd wordt, hangt daarbij van veel zaken af. Allereerst van zijn portemonnee. Komt hij als tourist en laat hij geld achter bij souvenirshop, rondvaartboot en horeca, dan is hij welkom (speciaal de Japanner heeft om die reden in de Nederlandse beeldvorming een wonderbaarlijke metamorfose ondergaan); komt hij concurreren bij de sollicitatie op die ene leuke baan en heeft hij geld nodig, dan ziet men hem liever direct weer vertrekken. Geen vreemde profiteurs van wat 'wij' met noeste arbeid hebben opgebouwd, zo luidt dan de boodschap. In de Verenigde Staten, het westerse immigratieland bij uitstek, heeft men dat laatste gevaar bezworen door de collectieve voorzieningen minimaal te houden. Ook Europa ontkomt op financiële gronden niet aan de discussie, of iedere vreemdeling die zich in ons midden vestigt, wel direct toegang tot alle voorzieningen van de verzorgingsstaat moet hebben, waaraan hij tot zijn komst niets bijgedragen heeft.
Ten tweede speelt de culturele factor een rol: past de vreemdeling zich geruisloos aan, of gedraagt hij zich door kleding, gebaren of taalgebruik afwijkend en opvallend? - Vóór de opkomst van de Franse hofmode, de Engelse confectiekledij en de Amerikaanse spijkerbroek kon men de vreemdeling moeiteloos aan zijn regionale klederdracht herkennen, en voor bepaalde minderheden, zoals joden, was tijdens het ancien régime een eigen specifieke garderobe zelfs veelal verplicht. De foute pofbroek van een passerend reiziger deed bange inboorlingen eeuwen her even argwanend de luiken van hun boerenstulpje sluiten als de kaftan van een iman dat doet met de gordijnen achter de geraniums nu.
Brengt hij geen verderfelijke zeden mee, die Gods gebod ondermijnen? - Toen honderd jaar geleden de fiets aan Rotterdammers de mogelijkheid verschafte om 's zondags wat op de Zuid-Hollandse zwartekouseneilanden rond te kijken, trok de plaatselijke bevolking regelmatig de ANWB-borden uit de grond, in een laatste poging om deze vreemdelingen met hun stedelijke fratsen uit de nog onbedorven gereformeerde natuurreservaten weg te houden.
Weet hij wel met zijn vingers van onze reine dochters af te blijven, ook als die in zijn ogen hoofddoekloos als hoeren zijn gekleed? - Ook dat is een oude angst, die men niet alleen al bij de woestijnvolkeren van de bijbel aantreft, waar door de stamoudsten voortdurend met argusogen over vrouwen wordt gewaakt als een bezit dat kostbaarder was dan goud. Steunde immers niet al de eerste demografische groeispurt van Rome op weg naar zijn wereldrijk op de Sabijnse maagdenroof?
En ten vierde hangt de vreugde over de vreemdeling van de omvang van de migratiestroom af. De eerste Surinamer ooit in Hoek van Holland voet aan wal zette, werd nog als een held binnengehaald. Daarna is het enthousiasme wat afgevlakt. Het zijn namelijk vooral de aantallen die thans als probleem worden ervaren, en de overheid vervolgens in piekjaren tot selectie nopen. Is het niet opvallend dat een rigide vreemdelingenbeleid in abstracto vaak nog op brede instemming kan rekenen, maar menigeen van de consequenties schrikt zodra dat dan ook dat aardige klasgenootje van de kinderen dreigt te treffen, die door de verontwaardigde goedgemeente prompt wordt opgewaardeerd tot 'schrijnend geval'?
Iedere politicus, die vanuit zijn Haagse studeerkamer voor strengheid pleit, zou zich de vraag moeten stellen of hij de behandeling die hij voor vreemdelingen voorstaat, fatsoelijk acht wanneer hij er zelf elders als vreemdeling zou worden onderworpen. En of hij, nog veel belangrijker, werkelijk meent dat hij, indien hij Dakar of Djakarta tot domicilie kiest, een poging om hem met dwang tot Afrikaan of Aziaat om te smeden lijdzaam zou ondergaan. Als hij zich dan realiseert dat dat bij hem fel verzet zou oproepen, zal hij niet aan de conclusie kunnen ontkomen dat een soortgelijke poging tot hardhandige hersenspoeling zijnerzijds in het geval van in Nederland belande vreemdelingen, ook slechts de omgekeerde uitkomst sorteert.
Thomas von der Dunk, 16 maart 2004