OVER DE OMGANG MET VREEMDE CULTUREN
VAN AUTOCHTONE EN ALLOCHTONE OORSPRONG
Al geruime tijd worstelt de Europese sociaal-democratie met haar omgang met niet-Europese volkeren, zowel binnen als buiten het eigen continent. Zij wordt heen en weer geslingerd tussen twee tegenstrijdige sentimenten, waartussen zij niet vermag te kiezen. Enerzijds koestert zij haar mondiale solidariteitsideaal, dat op grond van haar streven naar een rechtvaardiger verdeling van aardse rijkdommen van haar vordert niemand op Aarde een evenredig aandeel aan de westerse welvaart te ontzeggen. Anderzijds bestaat er het besef, dat een dergelijke drastische herverdeling, gezien de bestaande welvaartsverschillen, een gevaar vormt voor de welvaartsstaat, zoals deze in de afgelopen eeuw in Westeuropa is opgebouwd, en dus een gevaar voor de materiële positie van haar traditionele achterban.
Daarbij komt als tweede probleem, dat de mondiale migratiestromen, waartoe deze welvaartsverschillen uitnodigen, de sociaal-democratie niet alleen steeds sterker met de verwachtingen van niet-Europese volkeren confronteren, maar ook met niet-Europese culturen in Europa zélf. En met die confrontatie worstelt zij zo mogelijk nog veel meer. Haar vrijzinnige instelling om eigen keuzes te respecteren, dus mensen in hun culturele waarde te laten, botst met haar klassieke streven, mensen uit de beperkingen van hun sociale omstandigheden te bevrijden - sociale omstandigheden, die vaak sterk door culturele factoren worden bepaald. Sociale bevrijding en emancipatie betekenen daarmee veelal ook culturele bevrijding en emancipatie, welke zich per definitie met het respect voor overgeleverde culturele eigenheid slecht verdraagt. De vele Turken en Marokkanen die zich de afgelopen decennia in ons midden gevestigd hebben, en waarvan een niet te verwaarlozen aantal daarbij politiek-culturele opvattingen meebracht die met de onze op gespannen voet staan, maken de kwestie nu extra actueel.
Getuigt het respecteren van de cultuur van mensen die afwijkt van de onze, dus ook het respecteren van aan zo'n cultuur geregeld ten dele inherente zaken als de ondergeschikte plaats van vrouwen, uithuwelijkingspraktijken, eerwraak en besnijdenisrituelen, ook van respect voor de mens in die cultuur? Binnen de normen van die cultuur geldt anders gedrag, gedrag dat wij als emancipatoir (en dus als gewenst) zouden betitelen, veelal als amoreel. Zoals dat in de onverlichte dagen van vóór de Franse Revolutie ook in Europa voor veel gold, wat wij inmiddels als normaal zijn gaan beschouwen: de gelijkheid van man en vrouw, de vrijheid om het eigen geluk na te streven, de onschendbaarheid van de lichamelijke integriteit, het onbeperkte recht op deelname aan de samenleving naar gelang de eigen talenten dit mogelijk maken, daarmee de principiële toegankelijkheid van alle ambten en beroepen voor alle burgers, ongeacht geloof, sexe of ras, het koningsambt in een enkel monarchaal reservaat slechts uitgezonderd; ook de scheiding tussen publiek en privé tenslotte, hoezeer deze door Privé en aanverwante bladen de laatste decennia weer enigszins onder druk mag zijn komen te staan. Al deze zaken zijn zo normaal geworden, dat wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen dat daarover anno 2000 ook heel anders zou kunnen worden gedacht. Gelijkheid en vrijheid vormen voor het leeuwendeel van de autochtone Nederlanders de grondslag van het politieke bestel en bestaan. Maar de dagen dat suffragettes als ontaarde kenauen en socialisten als goddeloze oproerkraaiers moreel werden kaltgestellt, omdat zij voor de sacrosancte masculiene maatschappijordening inzake coïtus, koffiezetten en kapitaal te weinig respect toonden, liggen nu ook weer niet zo ver achter ons.
Is daarom het fameuze hoofddoekje een teken van cultureel zelfbewustzijn, dat als een keuze geëerbiedigd moet worden, of een teken van een vorm van maatschappelijke onderworpenheid die geenszins stimulering verdient? Hoe 'eigen' is de keuze van de leden van een bepaalde cultuur? Of is er vooral sprake van een gebrek aan keuzes, of, meer nog, sprake van een gebrek aan besef dat er zonder in immoreel gedrag te vervallen op specifieke wezenlijke punten keuzes zouden kunnen zijn? Kan men mensen tegen hun 'zin' bevrijden, zeker als een notie van deze onvrijheid ontbreekt? Voor het ontstaan van die notie is immers een zeker relativeringsvermogen van de absolute waarde van overgeleverde normen en patronen, en daarvoor een rationalisering van de kijk op de eigen levenswijze nodig. En juist het ontbreken van dit relativerings- en rationaliseringsvermogen is inherent aan tal van niet-westerse culturen, die aan hun van generatie op generatie overgeleverde en daarmee vertrouwde samenlevingsvorm een min of meer goddelijke norm ten grondslag menen te zien liggen.
Indien ergens, dan is het beroemde woord van Immanuel Kant over de bevrijding uit de door mentale tradities afgedwongen onmondigheid van de mens hier wel relevant. Modernisering betekent Verlichting, onttovering, rationalisering van het bestaan, en daarvoor de afbraak van oude 'sacrale' sociale normen en gebruiken, waarnaar men zich, zonder op het idee te komen om hun juistheid in twijfel te trekken, gewoontegetrouw eeuwenlang heeft gevoegd. Niet voor niets vormen welvaart en westers als begrippenpaar bijna een tautologie, omdat de welvaart in het westen geen toevallig resultaat van even toevallig tegelijk optredende maatschappelijke factoren is. Integendeel: die maatschappelijke factoren vormen een basisvoorwaarde voor het ontstaan van die westerse welvaart.
Zonder de veelal met moeite op Kerk en Kroon bevochten, maar tevens juist door de onderlinge concurrentie tussen een veelheid aan kerken en kronen bereikte denk- en experimenteervrijheid van humanisme en renaissance in de zestiende eeuw was er geen wetenschappelijke revolutie in de zeventiende. En zonder deze was er evenmin een Verlichting in de achttiende eeuw, een Verlichting die traditionele normen en waarden niet langer meer accepteerde op grond van hun blote bestaan sinds vele honderden jaren, maar aan de hand van de rede op hun geldigheid, bruikbaarheid en wenselijkheid toetste, en om die reden steeds weer opnieuw toetsen moest.
Pas op basis daarvan was het mogelijk te (h)erkennen dat het bezit van voorouders van koninklijke bloede als zodanig nog niet het bezit van de regeermacht bij hun nazaten kan legitimeren, omdat die nazaten met dit vorstelijke zaad niet ook automatisch een even royale portie aan regeercapabiliteit in hun genen hebben meegekregen - en daarmee was op termijn de weg vrij voor de parlementaire democratie. Pas op basis daarvan was het mogelijk om de ooit zo straffe standenhiërarchie, waarbij ieders plaats in de samenleving op grond van geslacht en geboorte al bij het eerste levenslicht vast lag, te doorbreken. Pas op basis daarvan was het mogelijk om achter rang en stand de individuele mens met zijn individuele talenten te herkennen, waarvan de ongehinderde ontplooiing de samenleving als geheel steeds meer ten goede zou komen. Pas op basis daarvan was het mogelijk om tot een vorm van principieel pluralisme te komen, op grond van de notie dat er niet één eeuwiggeldende morele Waarheid bestaat, voorgedrukt in Thora, Koran of Bijbel, maar dat bruikbare normen naar tijd, plaats en omstandigheden verschillen, dus historisch en geografisch bepaald zijn, en dat een humane samenleving voor alles verdraagzaamheid voor het afwijkende vergt.
Verdraagzaamheid voor het afwijkende, omdat de ervaring leert dat onverdraagzaamheid veelal tot weinig welvaartbevorderende verwoesting leidt - of we vandaag de dag nu naar de Balkan, de Kaukasus of de Molukken kijken. Maar verdraagzaamheid óók omdat juist het afwijkende en ongewone in het verleden vaak niets anders was dan de voornaamste bron voor maatschappelijke innovatie en daarmee de voorbode vormden van het spoedig normale en gebruikelijke, dat de westerse samenleving dankzij de aldus gegenereerde materiële welvaart op het hoge plan van maatschappelijke vrede en voorspoed heeft gebracht, waarop zij zich nu bevindt. De opvattingen van Galileï, Newton, Darwin en Freud waren ooit eveneens ongewoon en afwijkend, want dat zijn belangrijke innovaties uit de aard der zaak meestal. Zonder verandering per definitie ook geen verbetering, en zonder de vrijheid tot bekritisering van het bestaande zodoende evenmin de vrijheid tot schepping van iets nieuws. Gezien de dominante betekenis van religie als normerende factor in veel samenlevingen betekent dat in de regel ook vooral: hoe meer theologische tolerantie en minder theologische taboes, hoe meer ruimte voor experimenten en hoe beter het ook in maatschappelijk opzicht gaat. Zonder Verlichting geen vooruitgang.
Om dat te beseffen, moet men echter wel een kind van die Verlichting zijn. Voor de onverlichten blijft die samenhang tussen denkvrijheid en welvaart in de diepste betekenis van het woord onbegrijpelijk. Waar die onverlichten bovendien vaak in de veronderstelling verkeren, dat het strict vasthouden aan de eigen culturele waarden uit het verleden, waaronder niet in de laatste plaats aan de eigen godsdienst als aan het enige ware geloof, door Hogere Machten als blijk van morele hoogstaandheid ook materieel beloond zal worden, is deze samenhang, met het oog op de algehele westerse secularisatie en de toenemende onkerkelijkheid in Europa, die zij op grond van hun waardenpatroon als blijk van moreel verval moeten duiden, bovendien ook ongelofelijk.
Hoogmoed, zo wil immers al minstens sinds de dagen van Icarus de moraal, komt voor den val. Maar ofschoon in niet-westerse ogen de hoogmoed in het Westen, zich uit normloosheid in ontzag voor God noch gebod vertalend, ongekende hoogten heeft bereikt, moeten deze ogen tegelijk constateren, dat niet alleen de beloofde val alsmaar uitblijft, maar de vlucht ook steeds hoger gaat, terwijl men er zelf maar niet in slaagt om van de modderige grond los te komen.
Dit te moeten vaststellen is voor veel adepten van andere culturen, die enerzijds jaloers zijn op de westerse welvaart, maar tegelijk - uit begrijpelijk zelfrespect - hun eigen traditionele waardenpatroon als basis van hun eigen identiteit willen behouden, zeer pijnlijk. Erop te wijzen, dat één van de belangrijkste obstakels voor het bereiken van die welvaart juist in die eigen identiteit op basis van het eigen traditionele waardenpatroon gelegen is, is nog veel pijnlijker. Het is niet minder pijnlijk voor degenen, die op grond van hun tolerante opvattingen en hun notie omtrent zelfbeschikkingsrecht ook niet aan anderen willen voorschrijven hoe zij te leven hebben. Jeder soll nach seiner Fasson seelig werden, luidt al sinds Frederik de Grote voor vele verlichte geesten in onze contreien het adagium. Het weinig aantrekkelijke alternatief is nu eenmaal de aanpak van de Jacobijnen gedurende de Franse Revolutie met hun in de Terreur uitmondende verlichtingsdwang, waarbij het oude kerkelijke elfde gebod - gij zult hoe dan ook geloven - slechts met het woordje 'niet' werd uitgebreid.
Maar langs die tolerante weg van Frederik komt misschien wel voor velen wereldwijd de psychische zaligheid binnen handbereik, maar de physieke, waarvoor diezelfde velen een zekere mate van welvaart min of meer onontbeerlijk achten, nog niet. Vrijwel iedereen wil vanwege die welvaart bij het westen horen, maar velen willen dat zonder westers te zijn. Dat begint overigens al bij Roemenië, waarvan menig ingezetene thans de Westeuropese waren welkom heet, maar de Westeuropese waarden wil weren, onder het motto: geeft ons Uw geld, maar bespaar ons Uzelf.
Deze constatering stelt de sociaal-democratie, klassiek emancipator op basis van de Verlichting, voor een groot probleem. Want vroeger gaf zij, met haar steun aan het rechtvaardige gevecht van de arbeider om een volwaardig loon, juist wel eveneens zichzelf - en de arbeider was deel van dit 'zelf'. Hij gaf er, min of meer marxistisch geschoold, op grond van de 'verlichte' herkenning van de oorzaken van zijn eigen achtergestelde sociale positie, en dus van de factoren die zijn ontwikkeling en emancipatie belemmerden, mede zelf vorm aan.
Succes in die strijd was slechts mogelijk door scholing en ontwikkeling, kortom, door wat indertijd zo fraai betiteld werd als Verheffing van de Mens. Een verheffing, die - terecht - alleen maar mogelijk werd geacht wanneer die mens, Kant indachtig, uit zijn onmondigheid werd bevrijd en daartoe zijn kerkelijke banden deels werden geslaakt. Daarvoor was ook een mentale verandering nodig, die automatisch ook een verandering betekende op het terrein van godsdienst en cultuur. Liberalen noch sociaal-democraten hebben zich bij bestaande achterlijkheid neergelegd en bijbehorende religieuze tradities ontzien alleen vanwege het feit dat deze nu eenmaal bestonden. Dat ging niet zonder een zekere betutteling van de onverlichten door de verlichten, maar omdat dat niet zonder ging, was die betutteling met het oog op de beoogde Verlichting niet zo erg. Als men daar principeel iets op tegen heeft, dan moet men thans ook het opvoeden en onderwijzen van kinderen staken. Beschaving en inzicht zijn nu eenmaal niet aangeboren, maar in hoge mate aangeleerd - anders waren er ook niet zovele duizenden jaren nodig geweest om het huidige peil te bereiken. Anarchie is dan ook met reden nooit een redelijk alternatief voor sociaal-democraten geweest.
Maar waar staan wij nu voor? Voor het handhaven van de - in mondiaal perspectief sterk gepriviligeerde - positie van onze grotendeels geëmancipeerde klassieke nationale achterban, waarvan velen hun weg op de huizenmarkt, Internet en de Wallen intussen ook wel zonder ons weten te vinden? Of voor de ontwikkeling van de armen en achtergeblevenen buiten Europa, dan wel onder de allochtonen in eigen land? Dit dilemma is nu veel sterker geworden dan honderd jaar terug, toen men in Europa de moslimse medemens nog slechts hoofdzakelijk als een exotische met Koran en kromzwaard bewapende krijgsman uit spannende avonturenromans kende, en niet als de winkelende bovenbuurvrouw bij Albert Heijn. Die emancipatie van de bevolking van andere culturen vergt echter gedeeltelijk een strijd tegen het traditionele waardenpatroon van zo'n cultuur, en wordt daarmee door de desbetreffende bevolking veelal als een aanval op hun cultuur als geheel gezien, en zodoende als een aanval op henzelf.
Hoezeer men er in sociaal-democratische kring niet in slaagt om een heldere koers uit te zetten en tot duidelijke keuzes te komen, maakte een tijdje terug ook de door een commissie uit de Partij van de Arbeid vervaardigde nota Wisselwerking weer eens duidelijk, waarin geen onvertogen woord te vinden is. Daarin ligt dan ook meteen mijn grootste bezwaar: ieder welwillend mens zal het zonder meer met alles wat er in de nota wordt gezegd op zich eens zijn. Er staat niets controversieels in, zodat men dus alles wat controversieel is, moet hebben gemeden. Vrijwel alle kolen en geiten waaraan in ons poldermodel de politieke landbouw zo rijk is worden gespaard. Om eens een paar thema's te noemen: het conflict tussen autochtone en allochtone rechtsopvattingen, zoals onlangs weer eens bij een schietpartij in Veghel ter tafel kwam, in samenhang met het respect voor onze normen en waarden; het probleem van het gebrek aan verdraagzaamheid in eigen kring, zoals tussen Koerden en Turken; het dilemma tussen vrij keuzerecht voor ouders en gedwongen leerlingenspreiding, waar het het tegengaan van de groeiende segregatie van zwarte en witte scholen betreft; de verhouding tussen de rechten en plichten van ouders en overheid ten aanzien van de wijze van opvoeding en onderwijs van het opgroeiende geslacht; de illusie van het 'bij gelijke geschiktheid' in personeelsadvertenties, in relatie tot de vraag naar groepsrechten dan wel individuele rechten; het probleem van de dubbele nationaliteit en dus dubbele loyaliteit, die in democratieën voor de relatie c.q. mogelijke botsing tussen de beide vaderlanden niet zonder relevantie hoeft te zijn, getuige ondermeer de rol van de lobbies voor Israël en Ierland in de Verenigde Staten. Aan de opstellers van de genoemde partijnota lijken deze vraagstukken grotendeels voorbij te zijn gegaan. Politiek gaat echter niet over die zaken waarover men het eens is, maar over die, waarover men op goede gronden van mening kan verschillen. En ofschoon het in Nederland inmiddels onder Paars meer dan ooit traditie geworden is om politieke meningsverschillen vooral zoveel mogelijk toe te dekken, lijkt mij dat, met het oog op het samenbindende vermogen van onze samenleving in de toekomst, in dit geval zeer ongewenst.
Het is sowieso opvallend, hoezeer deze culturele en mentale aspecten in politieke discussies in Nederland uit de weg worden gegaan, en godsdienst staat daarbij - met ons koningshuis, uiteraard - bovenaan als nationaal taboe nummer één. Maatschappelijke aanpassingsproblemen worden altijd met economische factoren in verbinding gebracht, en over de wisselwerking tussen materie en mentaliteit hebben wij het liever niet. Geloofszaken zijn in Nederland in politicis van oudsher geen thema, niet alleen in de binnenlandse, maar ook in de buitenlandse politiek, zoals de opwinding na de opmerking van Kohl omtrent de relevantie van religie voor de Turkse geschiktheid voor de Europese Unie bewees. In dat opzicht bestaat er nog steeds een duidelijk verschil in perceptie van de boven-materiële werkelijkheid tussen ons en de omringende naties, en het was in dit opzicht karakteristiek dat de ettelijke jaren terug wegens Haider uit de FPÖ getreden politica Heide Schmidt in haar lezing aan de Leidse Universiteit van 24 februari jl. ter verklaring van het gebrek aan democratisch-kritische traditie in haar land begon met te stellen: vergeet niet, Oostenrijk is katholiek. Waar het de ontkenning van enige wezenlijke relevantie van religieuze factoren betreft, staat Nederland in Europa vrij alleen.
Het is in dit verband natuurlijk een interessante vraag, waardoor dit komt. Het antwoord is niet los te zien van het feit, dat het grootste deel van de huidige elite van Nederland op dergelijke momenten vanuit een vermeend verlichte geesteshouding niet alleen van de metaphysische opvattingen van anderen als potentieel beoordelingscriterium niets wil weten, maar evenmin aan de godsdienstige wortels van de eigen samenleving herinnerd wil worden, en zo zelfs de betekenis ervan voor de grenzen van Europa ontkent: de betekenis van het Christendom, dat, bij alle secularisatie van de laatste tijd, nog altijd aan de basis ligt van de Europese cultuur. De verklaring daarvan vergt een korte inkijkoperatie in de nationale volksziel van dit ogenblik.
Ter linkerzijde is het dan mede de dominantie van de generatie van de jaren zestig, met haar onverwerkte rijke roomse verleden en haar jeugdtrauma's over een ongetwijfeld even afgrijselijke gereformeerde jeugd in Oegstgeest, die ervoor zorgt dat vele toonaangevende politici vooral niet met de Kohls in één kamp willen worden gezien. Gezien de van staatswege verplichte katholieke kruisen in de openbare scholen in het door Kohl's zusterpartij geregeerde Beieren is die associatieangst overigens niet geheel onbegrijpelijk. Waaraan de algemene geur van kleinburgerlijke mufheid, die - naast de huidige van koninklijke omkoopbaarheid - bij tijd en wijle uit de kring der Duitse christen-democraten opstijgt, dan natuurlijk eveneens nog het zijne bijdraagt. Nergens in Europa is bovendien de ontkerkelijking verder voortgeschreden dan in Nederland, zodat reeds godsdienstigheid als zodanig hier al snel aan achterlijkheid wordt gelijkgesteld. In onze buurlanden daarentegen beroepen sociaal-democratische leiders, als Tony Blair voor Labour, zich openlijk op de Christelijke moraal, en ook zonder dat hij nu de kerk meteen even frequent als de kapper bezoekt.
Deze neiging om zich voor het eigen Christelijke verleden te schamen gaat vervolgens gepaard aan de vrees, om met één onvertogen woord over de Islam de vreemdelingenhaat aan te wakkeren en daarmee extreem-rechts in de kaart te spelen. Men wil in sociaal-democratische kring vooral niet voor onverdraagzaam doorgaan, en ziet daarom, uit op zich begrijpelijke compassie met de beroerde maatschappelijke positie van de immigranten in onze binnensteden, menige uiting van intolerantie in allochtone kring ten aanzien van Nederlandse normen - van Salman Rushdie tot homosexualiteit - handenwringend door de vingers. Een en ander leidt er uit misplaatste politieke correctheid regelmatig toe dat dat, wat men met het Christendom nu net als benepen van zich beweert te hebben afgeschut, vervolgens in de Islam met het oog op afwijkende achtergrond en herkomst weer begripvol wordt omarmd. Mede daardoor bestaat de neiging om de verschillen met vreemde culturen terug te brengen tot fleurige volksdansen en interessante eetgewoontes, die op verbroederende buurtfeesten met de inheemse bevolking moeten worden gedeeld. Zo worden centrale westerse waarden, die wij danken aan de Verlichting, op cruciale momenten ter wille van de binnenlandse vrede in de multiculturele samenleving soms liever verzwegen.
Zo mogelijk ernstiger nog is de lankmoedige houding ten opzichte van de grondbeginselen van de westerse beschaving aan de rechterzijde van het politieke spectrum in Nederland geworden. Daar heeft men niet zozeer met onverwerkte jeugdervaringen te kampen, en is het ook evenmin de schroom om voor Europacentrisch versleten te worden. Daar is het vooral de behoefte om bij lucratieve contacten met het buitenland van iedere onzakelijke belemmering gevrijwaard te blijven, die ertoe leidt, dat men hier niet over godsdienst als beschavingsvormende factor spreekt. Daar wil men evenmin over de geestelijke grondslagen van de westerse samenleving filosoferen. Daar wil men gewoon zaken doen.
Voor de Van der Valken van deze wereld was iets anders natuurlijk altijd al te veel gevraagd, maar helaas zijn de Van der Valken nu aan de winnende hand. En waar dit zaken doen in Nederland gaandeweg tot hoogste ideaal is verheven, blijven de geestelijke effecten ervan niet tot zakenkringen alleen beperkt. Ook bij veel vooraanstaande sociaal-democraten heeft de afgelopen jaren deze platte kijk op de wereld immers ingang gevonden, en geldt de overheidsfunctionaris die niet voor ondernemer speelt en bijpassend dineer- en declareergedrag vertoont, als een meelijwekkende sul. Zelfs het denkvermogen van de christen-democratie blijkt hevig door het virus van deze commerciële zienswijze te zijn aangetast, ofschoon men van deze zijde toch wel een grotere resistentie had durven verwachten. Reeds de gevallen fractieleider Elco Brinkman verkondigde, nadat hij als minister de kunst tot glijmiddel voor de export had voorbestemd, ter verdediging van zijn uitglijder dat andere landen toch ook alleen maar vooral veel aardappels willen verkopen. Neen! Niet alle volkeren beschouwen een positieve handelsbalans als het hoogstbereikbare ideaal. Er zijn er, die in de veronderstelling verkeren, dat zij een culturele missie te volbrengen hebben. En er zijn er ook, die het Koninkrijk Gods op Aarde vestigen willen, en als dezulken, zoals de Taliban in Afghanistan, het voor het zeggen krijgen, dan berg U!
Nu brengt juist dat Koninkrijk Gods ons op een extra reden waarom men in Nederland de onderlinge verwevenheid van afwijkende religieuze en afwijkende maatschappelijke denkbeelden bij een deel van onze nieuwe minderheden liever niet ter sprake brengt, en tevens over het thema tolerantie versus theocratie en het verlichtingscriterium inzake de mogelijkheid tot integratie liever zwijgt. Die reden wordt gevormd door de restanten van theocratisch denken van eigen bodem, zoals die in het Reformatorisch Dagblad en het Katholiek Nieuwsblad hun spreekbuis vinden. Het Godgesloten wereldbeeld van menig binnengemigreerd moslim vindt nu eenmaal zijn inheemse pendant in dat van ons aller bisschop Eyck.
Voor een juiste omgang met deze restanten heeft het meer verlichte deel van de Nederlandse natie nog steeds niet een effectievere omgangsvorm gevonden die verder gaat dan de hier te lande gebruikelijke methode van gedogen en negeren, of, ingeval van als al te onappetijtelijk bekrompen ervaren opvattingen, een enkele halfslachtige poging tot een juridisch proces. Dat de zaak zelden op de spits gedreven wordt komt, omdat op de zeer Nederlandse oorsprong van deze opvattingen historisch gezien weinig af te dingen valt, en men het deze landgenoten daarom wat minder euvel durft te duiden, dat vervolgens alleen de aansluiting op de Nederlandse moderniteit is gemist. De doorvoering van de Verlichting in Urk wordt zo in geen geval in zijn algemeenheid met wettelijke middelen afgedwongen, en als men het broekverbod voor meisjes in bevindelijke kring tolereert omdat dat nu eenmaal bij de desbetreffende geloofsbeleving schijnt te horen, dan wordt het ook moeilijker dan in Frankrijk om bepaalde als obscurantistisch beschouwde vormen van islamitische klederdracht van staatswege tegen te gaan. Waar de Nederlandse samenleving vreemde culturen van autochtone oorsprong alle ruimte voor antimoderne zelfexpressie laat, kan zij dat recht, om niet te discrimineren, aan vreemde culturen van allochtone oorsprong immers moeilijk onthouden.
Dat de Verlichting in Urk tot dusverre geen ingang heeft gevonden komt mede omdat deze autochtone vreemdelingen binnen onze moderne samenleving ook de scheiding tussen Kerk en Staat nog niet altijd geheel verinnerlijkt hebben, en in hun kring integendeel een duidelijke link gelegd wordt tussen de eigen geloofsopvatting en onze 'ware' nationale identiteit. Nederland zal christelijk zijn of het zal niet zijn, gelijk het reeds in de zeventiende eeuw door de calvinistische 'Heerschende Kerk' als het nieuwe uitverkoren volk werd beschouwd. Voor het orthodoxe protestantisme vormt de trits God, Nederland en Oranje zo nog steeds een onverbrekelijke drieëenheid, waarbij op de Synode van Dordt de lotsbestemming van Neêrlands Israël vastgelegd en zijn speciale band met Christus' kerk bezegeld is, ook al speelt het daartoe cruciale kerstverhaal zich tussen os en ezel in het Palestijnse Bethlehem af, en niet in de Puttense varkensstallen van Wienk van den Brink.
Zeker in christen-democratische kring betekent dat Koninkrijk Gods zo een belangrijk obstakel om overdreven godsdienstigheid onder allochtonen als onnederlands te bekritiseren, met het oog op de sectarische fundamentalisten van Veluwse of Vaticaanse richting, omdat hun daaruit voortvloeiende maatschappelijke marginalisatie juist steeds als souvereiniteit in eigen kring wordt aangeprezen. Niet voor niets heeft in Nederland de onderwijsvrijheid onder zevenenzeventig jaar ononderbroken confessioneel bewind zulke extreme vormen aangenomen, dat met een beroep op godsdienstige gevoeligheden de evolutieleer uit het eindexamenpakket kan worden geweerd en onder de vlag van geloofsvrijheid de achterlijkheid als hogere waarheid kan worden aangeleerd, en desondanks de desbetreffende scholen rustig voor overheidssubsidie in aanmerking kunnen komen. Het is een vorm van staatsgefinancierd analfabetisme die zelfs in de duisterste binnenlanden van Beieren ondenkbaar is, en in de westerse wereld alleen in sommige staten van de Verenigde Staten wordt geëvenaard. Waar het CDA zich zodoende, onder verwijzing naar het recht op culturele eigenheid van zwaar Gereformeerden, tegen Verlichtingsdwang van overheidswege verzet, bevindt het zich niet in de positie om islamitische immigranten vanwege vrouwvijandige opvattingen de deur wijzen terwijl soortgelijke opvattingen bij de SGP sinds decennia begripvol tegemoet worden getreden. Men kan immers aan de imam moeilijk ontzeggen, wat aan predikant of pastoor al jarenlang wordt toegestaan, en voor de inburgering van de volgelingen van de imam biedt het CDA derhalve opnieuw het verzuilingsmodel aan.
Anderzijds is juist bij het meer conservatieve, minst verlichte deel van de christen-democratische achterban de distantie tot de aanhangers van een andere godsdienst het grootst. En die distantie vloeit daarbij niet, zoals bij het meer geseculariseerde deel van de Nederlandse bevolking, voort uit de uit die godsdienst voortvloeiende maatschappelijke opvattingen, maar uit die specifieke godsdienst als zodanig. Hoe orthodoxer men immers in zijn geloofsopvatting is, hoe meer men geneigd is om slechts één godsdienstige waarheid als de ware te erkennen, en hoe gereserveerder men dus tegenover de waarheid van andere godsdiensten staat.
Direct in het verlengde daarvan ligt dan ook dat het idee van Nederland als specifiek christelijke natie bij de preciezen sterker leeft dan bij de rekkelijken, waarbij dat natuurlijk weer versterkt wordt door het feit, dat het juist de vele preciezen zijn die op het platteland tussen vele andere preciezen leven. Niet voor niets was binnen het CDA de weerstand om de partij ook voor moslims open te stellen niet aan de grachten van Amsterdam maar aan de sloten achter Amersfoort geconcentreerd. In onverlichte kring is de tolerantie tegenover anderszins onverlichten meestal net iets geringer dan in meer verlichte kring, omdat de meer verlichten in beginsel toch net iets minder snel geneigd zijn de medemens het recht te ontzeggen om - bij wijze van variant op het woord van de grote Frederik - op zijn eigen manier achterlijk te worden, dan degenen die al op hun eigen manier achterlijk zijn. Er kan in de ogen van theocraten immers maar één theocratische heilstaat de juiste wezen, en dat sluit het recht voor andere theocraten om de hunne te realiseren nagenoeg uit.
Voor Nederlandse streng-Gereformeerden kan zo'n Nederlandse heilstaat dus ook slechts een streng-Gereformeerde zijn, gezien de door haar veronderstelde historische band tussen geloof en vaderland. Nederland evenwel is inmiddels (zo al ooit) reeds lang niet meer streng-Gereformeerd, zodat de enige kans om het godsdienstige ideaal in maatschappelijke praktijk om te zetten niet meer ligt in het beheersen, maar juist in het weren van de staat: door het recht, zich niet door de meerderheid tot een onorthodoxe levenswijze te hoeven laten dwingen. Zo heeft die eigen christelijke heilstaat ook in Staphorst slechts kans van slagen op grond van het met deze heilsopvatting als zodanig zo strijdige vrijheidsbeginsel, dus als eveneens in beginsel het recht op een islamitische heilstaat in de Schilderswijk wordt erkend, want de seculiere meerderheid van de bevolking is voor héél Nederland van geen van beide gediend.
De christen-democratie wordt zo heen en weer geslingerd tussen het recht op confessionele verscheidenheid enerzijds, welke voor het meer strenggelovige deel van haar achterban de enige garantie voor het voortbestaan van een eigen entiteit vormt maar zo automatisch ook de Islam alle ruimte geeft, en de door dat strenggelovige deel gevoelde en gewenste samenhang van Nederlandse identiteit en Christendom anderzijds, die de Islam buitensluit maar in het ontkerstelijkte Nederland ook door de rest van de autochtone bevolking allang niet meer erg wordt geapprecieerd.
Het probleem waar anderzijds dit ontkerstelijkte Nederland zo voor staat, is dat het moeilijk met twee maten kan meten: het kan, op basis van het beginsel van godsdienstgelijkheid en de praktijk van staatsonthouding op religieus gebied, niet de onverlichte opvattingen van een deel van de islamitische nieuwkomers bestrijden en tegelijk aan even onverlichte opvattingen van een deel van de christelijke inboorlingen stilzwijgend voorbijgaan. Zo kan ook de sociaal-democratie niet afwachtend in de zijlijn toezien, of het in allochtone kring uit eigen kracht overal tot een doorbraak in verlichte richting komt; een fatsoenlijke scholing en gerichte inburgering van de nieuwe bevolkingsgroepen is voor de toekomst van Nederland te belangrijk om de zaak op zijn beloop te laten. Dat betekent evenwel onvermijdelijk voor de immigranten en hun nageslacht assimilatie, en dus het opgeven van een belangrijk deel van hun uit hun land van herkomst meegebrachte identiteit, waarbij deze op termijn inderdaad hoofdzakelijk tot fleurige volksdansen en interessante eetgewoontes zal worden gereduceerd.
Maar tegelijk leert de Europese ervaring uit het verleden, dat dit proces tijd nodig heeft, en een te sterke moderniseringsdwang vaak averechts werkt. Reeds de verlichte keizer Jozef II moest op het eind van de achttiende eeuw erkennen, dat het bijbrengen van enige beschaving aan de Belgen gezien de toenmalige machtspositie van de katholieke kerk ondanks al zijn ijver niet in twee jaar zou lukken, maar een zaak van zeer lange adem was. Domheid valt nu eenmaal niet per decreet te bestrijden. Het Vaticaan zélf blijkt overigens ook aan tweehonderd jaar niet genoeg te hebben om zich verstand en verlichting eigen te maken. Men is daar, gezien het zojuist van pauswege verordende eerherstel, na zes eeuwen pas net toe aan de mentale verwerking van Johannes Hus, zodat die van Kant, Darwin, Freud, Malthus en Joke Smit nog wel even op zich zal laten wachten. Trouwens, ook in het provinciaalse protestantse Nederland van Da Costa en Groen van Prinsterer schoot dat ten tijde van koning Willem I niet altijd even erg op. De geforceerde wijze waarop men nu in een land als Turkije zélf in ijltempo met de godsdienst ook alle culturele verscheidenheid poogt uit te bannen, lijkt mij gezien het gewelddadige karakter ervan in elk geval niet voor navolging vatbaar. De maakbaarheid van de samenleving kent zijn grenzen.
Om die reden zullen er in Nederland nog wel enige tijd de nodige spanningen blijven bestaan, waarbij de Nederlandse nakomelingen van de huidige moslimimmigranten zich sterk tussen twee vuren zullen bevinden, tussen de meer traditionele herkomstwereld van hun allochtone (voor)ouders en de moderne wereld van hun autochtone leeftijdgenoten. Net als in de jaren zestig bij gereformeerden en katholieken zal het ongetwijfeld voor een groot deel van hen tot een geestelijke uitbraakpoging komen, waarbij die breuk dan wel scherper zal zijn, omdat de sprong die men moet maken ook groter is. De moderne westerse samenleving is immers, hoever zij intussen ook van haar traditionele Christelijke wortels verwijderd is geraakt, wel uit die traditionele Christelijke samenleving voortgekomen en draagt van die oorsprong nog altijd de sporen, terwijl bij de traditionele samenleving waaruit de migranten voortkomen die relatie met de onze ontbreekt.
Maar het is onwenselijk, indien deze uitbraak slechts voor een deel van die moslims geldt, en er daardoor net als bij het Christendom een groep achterblijft die door het licht van de Verlichting niet wordt bereikt. Voor de Nederlandse sociaal-democratie betekent dat, dat het misschien tijd wordt om de traditionele heilige onderwijsvrijheid in ons land waar het de inhoud van de lesstof - dus niet de didactische methode - betreft toch iets meer ter discussie te stellen, gelijk deze in alle beschaafde landen om ons heen sinds de staat de onderwijstaak van de kerk overnam al veel langer aan banden is gelegd.
Willen wij het ontstaan van nieuwe geestelijke ghetto's in de toekomst vermijden, en dus ook van alle nazaten van de immigranten die uit een traditionele samenleving komen moderne en goedgeschoolde Nederlandse staatsburgers maken, dan kunnen wij het ook in het geval van de kinderen van het traditioneel ingestelde deel der moslimouders niet aan nieuwe islamitische scholen alléén overlaten om te bepalen wat daar precies zal worden geleerd. Maar dan kunnen wij ook om enige confrontatie met de laatste eilanden van Christelijke rechtlijnigheid, die nog niet conform de hedendaagse wetenschappelijke inzichten met de evolutieleer zijn meegeëvolueerd, niet langer meer heen. In het Europa van het jaar 2000 wordt het volbrengen van deze laatste missie van de Verlichting ook hoogste tijd.
Thomas H. von der Dunk,
16 januari 2000 / 2 maart 2000.